zaterdag 10 september 2022

 

De zomer is voorbij gevlogen, wat mij betreft dan. Op vakantie lijkt er meer rust, maar tegelijkertijd maakt het je meer bewust van wat er gebeurt in de wereld. Rondrijdend in ons eigen land, herinneren de omgekeerde vlaggen aan de verkeerslichten en lantaarnpalen en in de weides langs de provinciale wegen, je voortdurend aan de stapeling en onderlinge samenhang van crises in eigen land (stijgende energieprijzen, droogte door klimaatverandering, dreigende schulden voor mensen), die onlosmakelijk verbonden zijn met wat er buiten onze grenzen gebeurt. Zorgen stapelen zich op en kunnen het zicht op uitzicht vertroebelen.

Op vakantie is er ook meer ruimte om te lezen, ook in de Bijbel. Soms word je dan ineens gegrepen door een verhaal. En deze zomer bleef ik daardoor ‘hangen’ op een overbekend verhaal, dat ineens eruit sprong. En hoe langer ik erop bleef kauwen, hoe meer motieven ik ontdekte, spiegelingen en echo’s van eerdere verhalen, en vooruit wijzingen naar latere verhalen. Heeft het nu allemaal iets te zeggen, of is het in de meest basale manier gewoon van uitzonderlijke literaire schoonheid? Dat laatste, dat weet ik voor mezelf zeker, dat eerste dat is de opdracht om te zoeken. In de Johannes willen we immers een huis van verhalen zijn, weten we dat verhalen kunnen troosten, bemoedigen, veranderen. Wat was dan dat verhaal waar ik aan bleef plakken?

Het gaat om het verhaal over Jacob die zijn kleinzonen Manasse en Efraïm zegent op zijn sterfbed. Als je het hoort, denk je misschien spontaan, net als ik, aan het schilderij met dit tafereel dat Rembrandt schilderde. De kracht van een goed verhaal zit ‘m gelijk ook al daarin: dat je het voor je ziet. Prachtig schilderij, warme kleuren, intiem tafereel. Maar de jongens op dit schilderij zijn veel te jong, kinderen nog, Efraïm en Manasse moeten zeker twintigers zijn geweest. Dat dit laatste ineens zo helder werd, was omdat ik de voorafgaande hoofdstukken van Genesis kort op elkaar had gelezen en daar wordt duidelijk gesproken over wanneer Jozef zonen krijgt (in de eerste zeven vette jaren) en wanneer Jacob naar Egypte gaat (in de magere jaren) en dat Jacob nog 17 jaar in Egypte leefde, voordat hij stierf. Zo verdween een klassieke dia, dat schilderij van Rembrandt, voor mij letterlijk uit beeld en was er ruimte voor een andere invulling.

En ineens zie je dan twee upperclass Egyptische jongemannen opdoemen, zonen van een Egyptische priesteres en de geassimileerde buitenlander die opgeklommen was tot onderkoning. Meer geprivilegieerd kon je het niet krijgen, denk ik. En die jongens moeten met pa mee naar hun opa, ergens in een tent ver van de stad. Een oude man die bijna dood gaat, met oude, hen vreemde gewoontes, een vreemde taal. En bij die oude man ook nog allemaal ooms, die ze nog nooit hebben ontmoet. Die oude man adopteert hen voor ze er erg in hebben als zijn eigen zonen, alsof ‘ie er nog niet genoeg had. En die stervende man spreekt zomaar hun vader de onderkoning tegen, plaatst de jongste zoon boven de oudste, iets wat hij zelf met z’n broer ook blijkt te hebben uitgehaald. En tot slot verankert hij hen samen prominent in de stammen van Israël. En pa vindt dat allemaal nog prachtig ook, die huilt van geluk en dankbaarheid.

Als lezer, denk je, ja, dat klopt, dat is helemaal in lijn met wat hieraan vooraf ging. Maar ik vroeg me af, of Manasse en Efraïm dat ook direct zo logisch vonden. ’t Is niet bepaald een variant op ‘the American Dream’, eerder het tegenovergestelde. Een weg die later Mozes ook ongeveer volgt, van het paleis van de farao naar een leidende rol voor het volk.

Ik zou wel graag willen weten hoe het verder ging met Manasse en Efraïm zelf. Bleven ze, na de begrafenis van Jacob, bij die nieuwe familie? Gingen ze terug naar het paleis? Hoe gingen ze om met de nieuwe verhoudingen, met hun nieuwe, onzekere toekomst? Dat zou ons wellicht juist in deze tijd, waarin wij geconfronteerd worden dat verworvenheden geen zekerheden zijn, kunnen ondersteunen.

zaterdag 28 mei 2022

 

Samenwerken binnen de kerk

De Protestantse Kerk Nederland heeft een visienota uitgebracht met de titel ‘Van U is de toekomst’. In het licht van die visienota wordt door de PKN in de communicatie aandacht besteed aan het thema ‘samenwerken’, Een heel nummer van het blad voor ambtsdragers ‘#protestant’ is eraan gewijd. Onder de titel ‘samenwerken’ staat wervend ‘er is van alles mogelijk’. Nou dat klinkt aantrekkelijk, dat moet ik lezen, dacht ik, want als er een onderwerp is dat relevant is voor onze gemeenschap is het wel samenwerken. In de houtskoolschets waarin we de richting beschrijven voor de komende jaren, schrijven we bv. dat we willen samenwerken met andere wijkgemeenten, andere geloofsgemeenschappen, de diaconie, buurtbewoners, andere gebruikers van ons kerkgebouw.

Samenwerken met behoud van identiteit

De meeste artikelen gaan over het samenvoegen van gemeenten en heel aansprekend of passend voor onze gemeenschap klinkt het niet, ook omdat het over veel kleine landelijke gemeenten gaat die samen móeten werken omdat er geen kader meer te vinden is. Eén artikel sprak echter wel aan, een interview met Jaap Schaveling. Jaap Schaveling is hoogleraar Samenwerken & Leiderschap aan de Nyenrode Universiteit en hij zegt in dat interview verstandige dingen over samenwerken. Dat samenwerken alleen kan slagen als ieder zijn eigen identiteit houdt. Je hoeft dus niet je eigen identiteit op te geven als je samen gaat werken met anderen, juist niet. Wat jij bent, neem je mee en daarmee verrijk je de samenwerking en de relaties die zo ontstaan. Het woord diversiteit hoort daarbij, wat voor sommigen wellicht beladen is. Maar ook in de natuur is diversiteit belangrijk, waar diversiteit is, kunnen bedreigingen (bv. plagen) beter het hoofd worden geboden dan in een monocultuur.

Samenwerken uit verlangen

Schaveling wijst op de risico’s, wanner je juist niet gaat samenwerken en samenwerken zelfs afwijst. Dan ben je als gemeenschap vatbaar voor het gevaar van groepsdenken. Niemand in de groep voelt kennelijk nieuwsgierigheid naar anderen, die anderen laat je niet binnen. Maar dan komt er ook geen nieuwe input binnen, en de inspiratie in de eigen groep droogt op. Als je samenwerkt, hoor je nog ‘ns wat anders, je wordt geprikkeld om na te denken en ook de eigen beelden te bevragen en daarvan te delen. In ontmoetingen waar naar elkaar geluisterd wordt, vormt zich ook de identiteit van individuen en daarmee van de gemeenschap.

Samenwerking ontstaat volgens Schaveling uit het verlangen om iets voor elkaar te krijgen, samen met iemand die je leuk of sympathiek vindt. Samenwerken heeft een zakelijke kant, maar de gevoelskant is minstens zo belangrijk. En dat geeft ook weer een haakje terug naar het jaarthema van de PKN, ‘Van u is de toekomst’, waar ook een groot verlangen in doorklinkt. Verlangen om samen kerk te zijn.

 

vrijdag 1 oktober 2021

Ruimte zat in de wijk

 De Rijksbouwmeester sprak erover op 18 juli 2021 in zijn ideale TV avond bij Zomergasten. Er ligt een enorme woningbouwopgave, er wordt gesproken over een behoefte van 1 miljoen extra woningen. Waar moeten die komen? Bouwend Nederland vraagt om meer bouwlocaties en versoepeling van procedures om het proces van nieuwbouw te versnellen.

De Rijksbouwmeester omarmt, samen met Bouwend Nederland en Platform 31, dat er meer mogelijk is binnen de stad. Het moeten realiseren van 1 miljoen woningen is juist een uitgelezen kans om via deze  opgave in één moeite door grote problemen op te lossen, die op ons afkomen, zoals vergrijzing, klimaatverandering, sociale ongelijkheid. De Rijksbouwmeester identificeert het oplossen van deze problemen vooral als een ontwerpopgave, want ontwerpend onderzoek heeft een enorme kracht, omdat je dan integraal aan het werk gaat met andere disciplines. Dit heet dan koppelkansen, waarbij opgaven aan elkaar gekoppeld worden in een geïntegreerde oplossing. Zonder welvaart of waardes op te hoeven geven, kunnen we werken aan winst voor de toekomst en het leven op deze planeet aangenaam houden.

De Rijksbouwmeester stelt dat er op zich niet per se veel bij gebouwd moet worden, hij ziet vooral een (her)verdelingsvraagstuk van de beschikbare ruimte in combinatie met een aantal chirurgische ingrepen in de stedelijke structuur. Zo zijn er bijvoorbeeld echt wel voldoende eengezinswoningen in Nederland voor iedereen die een gezinswoning nodig heeft. Echter, door omstandigheden is het zo gelopen dat nu veel eengezinswoningen niet meer worden bewoond door gezinnen maar door eenpersoons- of tweepersoonshuishoudens, die vaak wat ouder zijn. Als deze mensen hun huizen verlaten en kleiner gaan wonen dan komt er doorstroming op gang. Om deze (oudere) mensen te verleiden hun woning te verlaten moet er een interessant en aantrekkelijk aanbod komen van kleinere woningen, bijvoorbeeld in hofjes, waar je samen zorgt voor je omgeving en elkaar. Die verleidelijke woningen moeten dan goed worden ingepast in de stedelijke structuur, omdat de stad op zichzelf al een aantrekkingskracht heeft door het voorzieningenniveau. Dit worden ook wel ‘chirurgische ingrepen’ genoemd.

Een rapport wat hier wat dieper op ingaat is het rapport van architectenbureau KAW en het heet heel wervend ‘Ruimte zat’. Dit onderzoek focust op de naoorlogse uitbreidingswijken in de steden en beweert dat met hun ideeën binnen nu en 10 jaar wel meer dan 700.000 woningen bij kunnen komen in juist deze wijken. Misschien dus al wel meer extra woningen dan de Rijksbouwmeester nodig acht? Wel omarmt KAW het idee van de Rijksbouwmeester dat een gemiddelde woning best wat kleiner kan, zonder aan comfort in te boeten. Waar bestaande woningen, ook in de sociale sector nu vaak 70m2 of meer zijn, zou dat makkelijk tot 50 m2 beperkt kunnen blijven.

KAW identificeert vier manieren om woningen in wijken toe te voegen: 

  • bestaande woningen splitsen, uitbouwen, optoppen
  • chirurgisch ingrijpen door ‘restruimte’ te bebouwen
  • herstructurering, uitgebreid slopen en nieuwbouwen
  •  randen, wijkranden benutten. mede door vrijkomende ruimte door terugtrekkend verkeer

KAW schrijft dat deze methodiek ook concreet is ingezet bij onderzoekstrajecten voor specifieke vragen van gemeenten en corporaties is ingezet en daardoor is deze methodiek in de werkelijkheid getoetst. Al blijkt uit nieuwsberichten dat een ontwerponderzoek nog geen realiteit hoeft te worden en dat opdrachtgevers de studies van KAW zien als inzicht gevend maar vooral ook als een bron van “indicatieve getallen” [1]).

Het presenteren van deze vier oplossingsrichtingen om de woningnood aan te pakken in de uitbreidingswijken van steden uit de jaren 60, 70 en 80 is mijn inziens een verkooppraatje van een slim architectenbureau. Met name het sleutelen aan bestaande woningen is in de praktijk nauwelijks technisch haalbaar. Of slechts te realiseren tegen enorme kosten.  De voorbeelden in de studie van KAW laten een pijnlijk naïeve tekentafelaanpak zien, waarbij slechts op het niveau van de plattegrond wordt gewerkt. Maar een woning is nu eenmaal driedimensionaal, en in die derde dimensie zit vaak het transport van nutsvoorzieningen en niet te vergeten trappen en liften. Het samenvoegen van twee woningen tot drie woningen is op dat technische vlak zo ingrijpend dat dit slechts per complex kan worden uitgevoerd en dat maakt het feitelijk een herstructurering. Hetzelfde geldt voor het plaatsen van extra lagen op bestaande complexen: ook daar moet in de derde dimensie heel veel gebeuren om dat veilig te doen.
De voorbeelden die in Nederland van splitsen en optoppen te vinden zijn kleinschalig en zelden gebeurt zo’n ingrijpende actie in een complex waar ook nog gewoon gewoond wordt omdat de aanpassingen nogal overlastgevend zijn. Daarbij betekent splitsen en optoppen dat op dezelfde oppervlakte meer mensen gaan wonen, wat druk geeft op de omliggende openbare ruimte.



[1] https://www.ad.nl/waterweg/architecten-vinden-ruimte-voor-1250-extra-woningen-in-schiedam~aea7238b/

vrijdag 17 september 2021

Ruimtelijke strategie Utrecht, voor Overvecht

 

De wijk Overvecht is een in de jaren 60 gebouwde uitbreidingswijk van Utrecht, ruim opgezet met veel hoogbouw. De wijk ervaart al jaren typisch grote stadsproblemen waar, ondanks aandacht en inzet van gemeente en organisaties, weinig wijzigt.

In 2019 groeide ruim 37% van alle kinderen in Overvecht op in armoede. Bijna 4% van de jongeren verliet dat jaar het onderwijs zonder startkwalificatie. Meer dan de helft van de huishoudens is afhankelijk bijstand of een andere uitkering, de helft daarvan is dat langdurig. Mensen in Overvecht leven 12 jaar korter in goede gezondheid dan in de wijk aan de andere kant van het spoor.  De helft van de inwoners voelt zich op straat wel ‘ns onveilig, en duidelijk is dat ondermijnende criminaliteit aanwezig is. De handel en productie van drugs is het grootste criminaliteitsprobleem in de wijk, wat zichtbaar wordt door incidenten, zoals een fatale ontploffing op het bedrijventerrein en woningsluitingen. Burgemeester Dijksma signaleert dat het ernstiger is dan veel mensen denken en heeft hiervoor extra aandacht en middelen van het rijk gevraagd.

De gemeente Utrecht probeert al jaren met extra investeringen de wijk Overvecht te verbeteren. Diverse projecten en programma’s draaien op volle toeren, zonder dat dit tot nu toe meetbaar effect lijkt te hebben, alle positieve communicatie hierover ten spijt. Overvecht is een geval van lange adem, stelt de gemeente, er wordt veel verwacht van het bouwen van nieuwe woningen. De meeste woningen in de wijk zijn sociale woningen. Daarom zullen de nieuwe woningen in de middenhuur en dure huur gerealiseerd worden. Tegelijk zullen sociale woningen worden gesloopt of verkocht (sommige daarvan worden vervolgens doorverhuurd door vastgoedbeleggers).

In totaal zullen bijna 7.000 woningen worden bijgebouwd, waar Overvecht nu al ruim 15.000 woningen heeft. De impact van deze verandering zal groot zijn. De ambities zijn ook groot, Overvecht moet zoals in de Ruimtelijke Strategie Utrecht (RSU) beschrijft, een nieuw stadscentrum worden en krijgt daarom een groot deel van het woonprogramma voor de gehele stad te absorberen. Onduidelijk is echter, wat deze verandering gaat bijdragen aan het oplossen van de grote problemen die de wijk nu heeft. Het veranderen van de samenstelling van de wijk zal zeker effect hebben op de cijfers. Door de nieuwe wijkbewoners, die middenhuur en dure koopwoningen kunnen betalen, zal logischerwijs het percentage Overvechters dat afhankelijk is van een uitkering dalen, maar de absolute aantallen zullen nauwelijks wijzigen.
De Overvechter zal wel de effecten voelen van de groei van de wijk, zo zal er ook gebouwd worden in het stadspark. Een duidelijk voorbeeld van hoe de beschikbaarheid en de kwaliteit van de openbare ruimte door fysieke ingrepen onder druk komt te staan. Belangrijkste zorg van Overvechters is of de gemeente voldoende beeld heeft wat de instroom van kapitaalkrachtigere bewoners voor de sociale samenhang betekent. De aanname is dat hierdoor automatisch de sociale veiligheid in de wijk verbetert, maar waar deze aanname op gebaseerd is, is onduidelijk. Zou de toevoeging van dure woningen niet juist bijdragen aan tweedeling in de wijk, waardoor spanningen eerder toe- dan afnemen? De angst hiervoor wordt versterkt door het feit dat de gemeente Utrecht de realisatie van nieuwe woningen volledig uit handen heeft gegeven aan een consortium van projectontwikkelaars die samen met woningcorporaties de bouwlocaties en de bouwprojecten onderling verdelen. De gemeente heeft dit consortium, De Werkplaats, toestemming gegeven om bouwlocaties te spotten en te toetsen op haalbaarheid. De gemeente laat het gesprek met de bewoners van Overvecht over die bouwplannen aan het consortium. Dit is een ondoorzichtig proces, waarin de positie van de burger onduidelijk en onbetekenend is. De gemeente komt pas weer in beeld als de uitwerking van het consortium moet worden opgenomen in het omgevingsprogramma. De belangen van dit consortium, De Werkplaats, lopen niet synchroon met die van de bewoners, het zou naïef zijn om als gemeente ervan uit te gaan dat een commerciële partij algemeen belang vóór winstmaximalisatie laat gaan. De markt formuleert het beleid, vertaalt het naar uitvoering en laat de gemeente de bestuurlijke afhechting verzorgen. De vraag is hoe democratisch deze werkwijze nog is en hoe de bewoners van Overvecht nog inspraak kunnen hebben, of hoe zij bezwaar kunnen maken als ze zich niet gehoord voelen. 

Interessant initiatief van betrokken burgers om te proberen of een referendum over het RSU georganiseerd kan worden om zo het gesprek over de groei van de stad en hoe we dat samen doen af te dwingen.

Opstaan tegen onrecht

 

In de zomerperiode heb je nog ‘ns tijd om een boek te lezen. Dit jaar zaten er vooral biografieën in de boekenkrat die altijd meegaat. Over de Keniaanse winnares van de Nobelprijs voor de Vrede, Wangari Maathai maar ook over R.P. Cleveringa, hoogleraar rechtsgeleerdheid in Leiden.

Professor Cleveringa’s bekendheid komt voort uit één daad: op 26 november 1940 hield hij een college, een rede, waarin hij protesteerde tegen het ontslag van zijn gewaardeerde collega en leermeester, de Joodse prof. Meijers. Het directe gevolg was, dat Cleveringa in de gevangenis van Scheveningen werd opgesloten. Tijdens en zeker na de oorlog werd deze rede gezien als toonbeeld van het Nederlandse verzet tegen de bezetting. Het bewijs dat Nederland consequent weerstand heeft geboden.

Cleveringa groeide op in Friesland, studeerde zelf rechten in Leiden. Duidelijk is dat hij uit een geprivilegieerde omgeving. Het is natuurlijk niet vanzelfsprekend dat een jongen uit Friesland Franse les krijgt in Zwitserland en na zijn diploma een bootreis maakt naar Rusland voordat hij gaat studeren in Leiden.
Cleveringa verblijft eigenlijk voortdurend, zeker vanaf zijn studietijd, in kringen waar gestudeerd en gefilosofeerd werd over van alles. In die kring leert Cleveringa vanzelfsprekend van zijn hoogleraren, die later zijn collega’s worden en van zijn medestudenten die later op andere plekken dan de universiteit belangrijke posities in de maatschappij bezetten. Een inspirerende kring, waaraan Cleveringa zich ook schatplichtig voelt. Een enorm arbeidsethos spreekt uit al zijn acties, waarbij hij op en top een gestructureerde jurist was. Zeg maar droog, elk woord afwegend.

Wat mij opvalt in het verhaal is hoe toeval een rol speelt. Zonder een ijverige student die de toespraak wilde kopiëren en daartoe ook initiatief nam, was de toespraak nooit verspreid kunnen worden en z’n uitwerking nooit kunnen hebben.
Wat ook binnenkwam was hoe in de leefwereld van de Leidse Universiteit al jaren duidelijk was wat er in Duitsland gaande was en waar dat toe kon leiden. De Leidse hoogleraren en professoren twijfelden niet over wat er zou gaan gebeuren als Hitler aan de macht kwam als het om de Joodse bevolking ging. Deze kringen volgden al jaren nauwgezet de ontwikkelingen in Duitsland in de jaren 30.  Op mij kwam het over als een het vormen van een collectief weten en daarmee een collectief geweten. Op de een of andere manier is zo’n kern van mensen die een moreel kompas omarmen en delen van een hoeder van de integriteit van wetenschap en samenleving. Vanuit zo’n kern kan in tijden van turbulentie duiding worden gegeven en herstel worden bereikt.

Als moderne werknemer word ik ook geraakt door het algemene tempo van het leven van een hoogleraar in de vorige eeuw. Het is uit de biografie duidelijk dat Cleveringa als hoogleraar heel productief was en hard werkte. En toch heeft hij zijn hele werkzame leven eigenlijk ‘slechts’ aan twee onderwerpen gewerkt en die helemaal kunnen uitdiepen: het zeerecht en het handboek bij het wetboek voor burgerlijke rechtsvordering. Zo’n toewijding en aandacht lijkt in deze tijd niet altijd meer mogelijk. Overigens was Cleveringa ook, na de oorlog, intensief betrokken bij de instandhouding van de gevangenis in Scheveningen als monument en doet mee aan diverse herdenkingscomités.

Cleveringa wist wat voor hem persoonlijk de gevolgen zouden kunnen zijn als hij zich openbaar uitsprak tegen het ontslag van Meijers. Als bewijs daarvoor gaat het verhaal dat zijn koffer al ingepakt stond, voor als de politie hem kwam halen, wat door de biograaf Kees Schuyt bevestigd wordt.
Hoe komt een mens tot de stap bewust te nemen die jouw leven, maar ook dat van geliefden voor altijd kan veranderen? Waar haal je dan de moed vandaan. Cleveringa had na de oorlog gelukkig de kans en de tijd om daar ook zelf op te reflecteren. Hijzelf geeft aan dat hij vier motieven had: ambtsplicht (hij was decaan van de rechtenfaculteit), morele plicht (vanwege zijn beelden over rechtsplichten en rechtvaardigheid), persoonlijke relatie (professor Meijers was zijn leermeester en hij was hem heel erkentelijk) en de morele verantwoordelijkheid richting zijn studenten het goede voorbeeld te geven. Vier argumenten die nogal rationeel zijn, passend bij de man.
Maar daaronder lag zeker een gevoel, een duidelijke beleving van onrecht. Dat gevoel van onrecht was zo sterk, dat daartegenover een daad móest worden gesteld, die je dan achteraf met argumenten rationeel voor jezelf kunt verklaren. Als onderbouwing van de emotie achter de rationele daad, laat de biograaf in de biografie duidelijk zien dat Cleveringa zijn leven lang een ongemakkelijke en irrationele hekel houdt aan Duitsland en Duitsers. Verder verklaart biograaf Kees Schuyt zelf de keuze die Cleveringa in november 1940 maakte op een abstracter niveau. Cleveringa, zegt Schuyt, stond op om te verdedigen om als individu vrij te mogen kiezen. Een mens kan zich vrijwillig thuis voelen bij verschillende groepen, maar word je onvrijwillig ingedeeld bij een groep  (Joden, moslims, kaaskoppen etc) dan ontstaan er als vanzelf sterke emotionele tegenkrachten.
Cleveringa blijft daarom een inspirerend voorbeeld, ook juist in deze tijd van toenemend groepsdenken en openlijk antisemitisme.

 

maandag 12 juli 2021

 

Het gebeurt niet zo vaak dat in de NRC stukken over religie of geloof staan. Al is de NRC de laatste jaren zeker niet gesloten als het om geloof gaat, de kerk is een maatschappelijk instituut en daar is veel over te schrijven de laatste jaren. Religie en spiritualiteit zijn eveneens onderwerpen waar in de maatschappij over gesproken wordt. Op zich niet zo vreemd daarom dat er af en toe ook een opiniestuk in de NRC staat over geloof. Op 16 juni 2021 schreef voormalig Utrechts stadsdichter Ingmar Heytze een stuk met als titel “Waarom geloven anderen wel in God en ik niet?”. Natuurlijk lees ik een stuk met zo’n titel met aandacht!

Het is voor mij een vertrouwd betoog langs bekende lijnen.
Allereerst de bekende vraag: Waar is het bewijs dat God bestaat? Heytze schrijft “religie is niet gebaseerd op feiten”. Waarmee hij, zonder dat hij dat misschien expliciet maakt voor zichzelf, feiten definieert als tastbare, zichtbare dingen. Wetenschappelijke bewijzen, dat zijn feiten. Maar wanneer is een ervaring, een geschiedenis, een verhaal voor Heytze voldoende ‘feit’ om als Godsbewijs te dienen? Voor mij is het argument dat er geen ‘feiten’ zijn om religie op te baseren een dooddoener, het zijn woorden uit verschillende begrippenkaders die nauwelijks overlappen.
Als je met een telescoop de hemel afspeurt, zie je geen God door de lens. God is niet ‘somewhere out there in a galaxy, far, far away’.  Religieuze gevoelens bij mensen zijn dan weer wel wetenschappelijk zichtbaar te maken, weet Heytze: onder scanners kun je hersenactiviteit meten. Maar dat is voor Heytze niet specifiek genoeg, want de delen van de hersenen die actief worden bij gelovigen, gaan ook ‘aan’ bij atheïsten als die over morele onderwerpen nadenken. Dus God zit ook niet in je hersenen.

Heytze heeft voor zichzelf definitief besloten dat God niet bestaat, “omdat hij andere mensen nodig heeft om het probleem te doorgronden”. Maar wat is dat nu weer voor een raar argument in de redeneerlijn? Volgens mij heeft Heytze niet eens door dat hij eerst voor zichzelf een beeld van God heeft gemaakt en dát vervolgens als ongeloofwaardig heeft verworpen. Dat beeld van God is een klassiek beeld van een almachtige God, die zich helemaal autonoom, zonder tussenkomst van derden, aan jou persoonlijk openbaart, als een feit. Dat dit beeld, dat velen van ons als kind meekregen in de opvoeding, niet meer lekker zit als je opgroeit en volwassen wordt, daar kunnen heel veel mensen over meepraten. Hoewel er ook genoeg mensen zijn die dat klassieke beeld als heel dierbaar houden, schetst Heytze voor zichzelf en die andere mensen die dit herkennen een mooie beeldspraak: “iedereen valt op den duur uit de hemel”. Dat het geloof in dat klassieke beeld van God in vuilniszakken wordt gestopt, en bij het grof vuil wordt gezet, samen met het geloof in Sinterklaas en de monsters onder het bed, dat is een oplossing die niet zelden voorkomt. Duidelijk is dat deze oplossing toch ook Heytze niet bevredigt op dit moment in zijn leven.

Heytze schrijft, nadat hij het bestaan van God aan zichzelf heeft moeten ontkennen: “Ik wil wel geloven, maar ik kan het niet meer (..) zelfs als ik ervoor zou willen kiezen, kán ik het niet. Ik heb de bekabeling er niet voor. Zou het in de genen zitten?” Hierin zie ik een verlangen naar wederom een Godsbewijs, als het niet buiten in de sterrenhemel is en ook niet in onze hersenen, misschien dan in de genen?
Heytze komt er op deze manier redenerend natuurlijk niet uit, en blijft tegelijkertijd op de een of andere manier onvrede uitstralen. Hij erkent dat er “een zekere spirituele vonk” bij hem is, een heimwee naar het gevoel dat hij als kind had, “verbonden te zijn met alles wat leeft”, maar hij houdt het voor nu dan maar bij “geloof in zichzelf” en de mensen van wie hij houdt. Hij stelt zichzelf met de laatste zin van zijn stuk gerust: “meer hoef ik er niet van te maken”. En voor mij klinkt in deze zin een enorm gevoel van spijt door.

 Wim Vermeulen, predikant in de Domkerk (en kennelijk ook een NRC-lezer), heeft een brief ingezonden op 26 juni 2021, als reactie op het stuk van Heytze. Hij schrijft dat de “joods-christelijke traditie (..) geloven bepaald niet als een kunst of een kunde (definieert), noch als een genetisch surplus of defect, maar als een vertrouwen. Vertrouwen in Iemand (..) die een onweerstaanbaar verlangen in je wakkerriep.” En volgens mij hoor ik nou juist zo’n verlangen klinken in dat stuk van Heytze. Wie zou hem dat nou ‘ns kunnen toelichten?

zaterdag 22 februari 2020

Brexit, angst en democratie

Pas heb ik een film gezien over de Brexit, ‘The uncivil war’. Het verhaal ging over het Brexit referendum en focust op de leiding van de ‘leave’ campagne en vooral op de persoon van Dominic Cummings, de campagneleider. Een aanrader om te kijken, met een vreemde gewaarwording dat je weet hoe het afloopt en toch het gevoel hebt dat je naar een science fiction thriller kijkt. De wijze waarop de campagne in deze speelfilm wordt weergegeven, helpt je echt van elke naïviteit af. De leiding van de campagne zocht en vond precies de juiste termen om mensen te laten stemmen voor ‘leave’. Heel knap om het maatschappelijke sentiment aan te voelen en te vertalen naar knoppen waar je op kunt drukken om jouw doel te bereiken. Soms ook dus letterlijk knoppen, op facebook en andere social media. In dit geval was het sentiment samen te vatten in de slogan ‘take back control’, waarbij het gevoel werd aangesproken dat het land out of control was, door vreemde machten van buiten.
Razend interessant om te zien hoe iemand met een duidelijk doel voor ogen, dat weet te realiseren. Zonder een duidelijk doel en een enorme drive komen dingen niet tot stand. Echter, de film maakt ook duidelijk dat je wel een plan kunt hebben om iets voor elkaar te krijgen, maar dat dit niet per se betekent dat je dan ook weet hoe het daarna verder moet. Je kunt alles op alles zetten om bv. die fantastische zeilreis rond de wereld te maken, obsessief geld sparen en botenbeurzen aflopen, maar als je dan eenmaal met de net gekochte boot de haven verlaat geen idee hebben hoe verder. Groot Brittannië moest uit de EU. Het doel heiligde alle middelen, alles werd uit de kast gehaald. Het losgemaakte sentiment om het doel te bereiken bleek heel krachtig en ook niet zomaar weer terug in de fles. Maar wat wilde Cummings daarna? De film geeft geen houvast dat er van tevoren was nagedacht wat de emoties in de campagne zouden kunnen betekenen op de langere termijn.
Maar je ziet dit gedrag wel vaker in de politiek maar ook op andere terreinen in onze maatschappij. Je wilt iets bereiken en probeert zo goed mogelijk op de knoppen te drukken, waarvan je verwacht dat dit het effect heeft dat je zoekt. 
Onder de meest effectieve knoppen liggen gevoelens van angst en verlies. Neem Hugo de Jonge, die graag partijleider van het CDA wil worden, en pleit voor beperken van immigratie. Of Hans de Boer, voorzitter van werkgeversorganisatie VNO-NCW, die de noodklok luidt over het lerarentekort, omdat dit de economie en dus de positie van bedrijven op termijn zal beschadigen. Angst wordt gevoed door wantrouwen over de motieven van anderen. Alleen kennis is geen antwoord op angst. Hoe komen we tot meer vertrouwen? Hoe voorkomen we dat we in de kramp schieten en/ of verlamd raken door angst? 
Een Vlaamse psycholoog, Bram Vervliet, stelt dat je je angsten moet aangaan. Dat geldt ook voor angst voor het onbekende of de onbekende, wat in extreme vormen racisme heet. Racisme kun je te boven komen. Hoe meer we in contact komen met mensen uit andere culturen, hoe minder bang we zijn, zegt Bram Vervliet. De Albanese filosoof Bleri Lleshi pleit ook voor het series nemen van angst. Hij zegt: ‘Doordat we niet met angst leren omgaan wordt het groter, erger. Het isoleert. We leven in tijden waarin angst heerst én niet mag bestaan’. Mensen krijgen dan een onverschilligheid over zich, worden cynisch. Lleshi ziet politici cynisme als een trucje gebruiken, om zelfverzekerd over te komen halen ze anderen onderuit. De Brexit campagne was daar wel een modelvoorbeeld van. Wantrouwen wordt dan gevoed en democratie wordt daarmee verzwakt, immers de suggestie wordt gewekt dat ‘anderen’ het niet goed met jou of met het land voorhebben. Voor je het weet, zoeken we met z’n allen naar meer controle. Democratie drijft juist op het weten dat de ‘meeste mensen deugen’, om de boektitel van Rutger Bregman maar aan te halen. Filosoof Lleshi pleit voor moed, actieve hoop en liefde, om de wortels van de angst te uittrekken. Je angst onder ogen zien doe je door bewust in gesprek te blijven, ook met andersdenkenden. 

zondag 22 september 2019

Twitter, democratie en de 'anti-alles' boosheid


Sommigen van jullie weten het al, misschien is het voor anderen nieuws. Ik zit op Twitter. Ik volg vooral, tweet soms zelf. Ik volg mensen die twitteren over gezondheidszorg maar ook politici, vooral lokaal, en enkele accounts die gaan over klimaatverandering, verduurzamen van vastgoed en energie besparen. Maar ik volg ook een aantal geloofsgerelateerde accounts, bv. JJ. van Peperstraten, alias de twitterpadre en soms echt heel grappig, maar ook Rikko Voorberg en Stefan Paas, theoloog des Vaderlands. 

Anti-alles

En ja, alle vooroordelen over Twitter kloppen. Het is soms een open riool. Begrippen, waar ik in mijn jeugd bewust of onbewust van heb geleerd ze te mijden of slechts in historische of academische context uit te spreken, vliegen je om de oren. Want ik ben van ver na de oorlog, maar geen haar op mijn hoofd die eraan denkt in een conversatie iemand voor racist, nazi of fascist uit te maken. En ik kan jullie verzekeren, deze begrippen zijn nooit ver weg in de antwoorden die met name de accounts die ik volg rond geloof en religie krijgen. Maar ook de Twitteraccounts die gaan over het klimaat hebben er veel mee te maken. De accounts die er zo met gestrekt been in gaan, delen een aantal kenmerken. Er staat een Nederlandse vlag in hun profiel, bijna altijd hebben ze een avatar (ze zijn dus niet herkenbaar), ze lijken vooral te twitteren als reactie op anderen (of anders over hun huisdier of de kinderen) en zijn vooral ‘anti’. Anti-moslim, anti-Parijs akkoord, anti-migratie, anti-Brussel, anti-religie. Er deugt niets van de overheid, van de politie, van de buren. Hen is duidelijk op de een of andere manier groot onrecht gedaan. Maar ze hebben ook duidelijk helden. Simon Rozendaal als het om klimaat gaat, de Telegraaf als het over Europa gaat, en ja, natuurlijk ook Geert Wilders en Thierry Baudet over deze thema en alles wat met migratie te maken heeft.

Democratie en het moreel oordeel

En daar ben ik wel door gefascineerd geraakt, hoe werkt dat, wat trekt mensen zo aan in de ‘anti-alles’ boodschap? Ik realiseer me dat ik kennelijk een morele mening over heb. Kennelijk vind ik dat je ‘zo niet mag denken’.
Linke soep, denken dat een ander iets niet mag denken, of vinden. Immers, iedereen heeft recht op een eigen mening. En we leven in een democratie, dus dan mag je echt heel veel zeggen. Ben ik ook niet een beetje elitair om mensen die anti zijn, moreel af te doen? Een democratie vraagt toch juist om debat? Een democratie kan dat ook hebben, toch? 

Ons gaat het in ieder geval nog goed?


Democratie is kwetsbaarder dan we willen, zien we vandaag de dag in Groot Brittannië of de Verenigde Staten. Het mooie boek met de titel Ons gaat het in ieder geval nog goed, van de schrijfster Ingrid Hoogendijk vertelt een waargebeurd verhaal. De schrijfster heeft uit de nalatenschap van haar tante een enorme hoeveelheid brieven gekregen. De brieven zijn geschreven door haar grootouders en de leden van hun gezin, vier dochters en twee zonen. Dit Hollandse gezin woonde sinds 1922 op een mooie boerderij in Oost Pruisen. Het gezin maakte daar de opkomst van het nationaal socialisme en de Tweede Wereldoorlog mee. De oudste zoon wordt teruggestuurd naar Nederland, om dienstplicht te mijden. De oudste drie dochters trouwen halverwege de jaren 30 met Duitse mannen. Er ontstaan felle discussies in het gezin tussen de gezinsleden, en verwijdering, letterlijk en figuurlijk. De brieven gaan over en weer en geven een inkijkje in een tijd die ver achter ons ligt en een land dat niet meer bestaat. Maar door de prachtig geschreven en levendige brieven komt het wel heel dichtbij. En ineens hoorde ik in die nare twitterberichten echo’s. Als je luistert, kun je er ook een groot verlangen in horen. Naar herstel van eer en duidelijkheid, een verlangen naar ruimte en bescherming, naar waarheid, wat dat dan ook is. Verlangen ja, maar wel verpakt in afschuwelijke teksten, die doelbewust kwetsen.

Het past me niet om onze tijd parallel te trekken aan de tijd van toen. Ik wil er wel van leren. De dochters Hoogendijk wilden de schaduwen niet zien, niet luisteren naar kritiek en ik kan wel zeggen, de anti-alles twitteraars ook niet. Dat heeft Twitter ook heel makkelijk gemaakt: je kunt namelijk iemand die je niet bevalt, gewoon blocken. Eens te meer reden om wel te blijven kijken naar waar je het niet mee eens bent, want als je niet kijkt, kun je ook niet zien, ook al is wat je ziet niet fraai. Eens te meer reden om niet te zwijgen, uit gemakzucht, uit frustratie, ook als wordt er toch niet geluisterd, of als je voor rotte vis wordt uitgemaakt. En vooral reden om te doen, om te laten voelen dat het ook anders kan. De verbinding is verbroken, en wordt niet vanzelf weer heel. Daar moet hard voor worden gewerkt. 




maandag 25 februari 2019

Van Obama naar Nashville


Niet dat ik een fan ben, maar ik kreeg de biografie van Michelle Obama zomaar gekregen bij mijn afstudeerfeestje. Een ‘onamerikaans’ open en eerlijk boek. Nuchter van toon, en ik merkte dat het daardoor steeds interessanter en boeiender werd. Ze beschrijft haar leven in drie delen (als kind, als jonge vrouw, als echtgenote van Barack) en analyseert zichzelf en haar keuzes scherp. Uit haar boek spreekt een enorme schatplichtigheid aan haar achtergrond, haar roots. Ze kiest er, na een korte periode op een gerenommeerd advocatenkantoor voor, om mensen die vaak gepasseerd worden op de voorgrond te zetten en hen kansen te bieden. Vanuit de overtuiging dat diversiteit inspireert tot vernieuwing.
Ze reflecteert op het thema diversiteit op het moment dat de inauguratie van Donald Trump plaatsvindt. Ik citeer een stukje: “Ik zat voor de derde keer op de tribune voor de inauguratie voor het Capitool (..). Die opwindende diversiteit van de vorige twee inauguraties was weg, vervangen door wat een lusteloze eentonigheid leek (..) Wat ik wist door het werken in een professionele omgeving – van het rekruteren van nieuwe advocaten voor Sidley & Austen tot het aannemen van personeel voor het Witte Huis – is dat hetzelfde zijn, meer van hetzelfde voortbrengt, totdat je een bewuste poging gaat ondernemen er iets aan te doen.”

Hoewel in de biografie nauwelijks wordt gesproken over het geloof (en hoe ‘onamerikaans’ is dat!) lees ik uit de levensbeschrijving een diepere bezieling, een verlangen naar een betere wereld voor juist die mensen die aan de rand staan. Misschien vond dat juist nu bij mij weerklank omdat we met de denktank 'Johannes in de wijk' zo bezig zijn met de wijk en de nood die daar is proberen te begrijpen. We bespraken dat de bewoners van Overvecht heel divers zijn, en dat dat eigenlijk iets is om te vieren, om te vernieuwen, als het ons lukt om elkaar echt te ontmoeten en de verhalen van al deze mensen te horen en te delen. 

Het huis van verhalen viert de diversiteit. 

En ja, dan is de link naar die ellendige Nashvilleverklaring ook nog in het nieuws. Daarom wil ik jullie een tekst voorleggen, die hangt op de deur van Coventry Cathedral in London. Ik heb 'm vertaald en enigszins aangepast om nog meer aan te sluiten bij een echte kerkelijke presentie in de wijk voor Overvecht.
WELKOM

Hier zijn mensen welkom die alleenstaand zijn, getrouwd of juist gescheiden,
in de rouw of straalverliefd zijn, homo, stinkend rijk of zo arm als een kerkrat zijn.

Van harte welkom zijn alle huilende baby’s en enthousiast stuiterende peuters en kleuters.
Je bent hier welkom als je kunt zingen zoals Pavarotti en als je liever maar wat zacht voor je uit humt. Je bent welkom als je zomaar even komt kijken, net wakker bent of net uit de gevangenis. 

Het maakt ons niet uit of je Roomser bent dan de Paus, of geen kerk van binnen hebt gezien sinds die ene keer met Kerst jaren geleden.

Hier ben je van harte welkom als je de zestig gepasseerd bent, maar nooit volwassen bent geworden of als je een tiener bent die te snel volwassen wilt zijn. Hier zijn muntthee moeders, voetbalvaders, rollator gebruikers, aan lager wal geraakte artiesten, bomenknuffelaars, koffieliefhebbers, vluchtelingen met of zonder status, vegetariërs en zoetekauwen van harte welkom. 

Hier zijn mensen welkom, die proberen af te kicken van hun verslaving of nog verslaafd zijn. We heten iedereen van harte welkom die problemen kent, er even doorheen zit of niet van georganiseerde religie houdt (daar houden wij ook niet zo van).

Onze deur staat voor je open als je denkt dat de aarde plat is, als je te hard werkt, niet werkt, niet kunt lezen of schrijven, of als je met je oma die kwam logeren mee naar de kerk moet.

Wij heten mensen met en zonder tattoos en piercings van harte welkom. Weet je welkom als je juist op dit moment wel een gebed kunt gebruiken, of als jou het geloof door de strot is geduwd toen je kind was of als je de verkeerde kant van het station ben uitgelopen en hier per ongeluk bent beland. Wij heten pelgrims, toeristen, zoekers en zieners, twijfelaars en JOU van harte welkom!


vrijdag 13 maart 2015

Zorgorganisaties failliet door hun vastgoed?



Kwaliteit van zorg is niet eenvoudig te definiëren. Wat is goede zorg? Het antwoord hangt af van het perspectief van degene die je het vraagt. Gemeenten hebben een ander antwoord dan verzekeraars. Familie heeft een ander antwoord dan de cliënt, en zorgverleners hebben weer een ander antwoord. Kwaliteit van langerdurende zorg wordt door vele factoren bepaald. Zonder pretentieus te zijn beweer ik dat huisvesting en vastgoed zeker kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de zorg. En tegelijk stel ik ook het tegenovergestelde: slechte huisvesting en ongezond vastgoed doen af aan de kwaliteit van zorg. 

Kwaliteit van vastgoed


De kwaliteit van het gebouw waarin het verblijf of de behandeling plaatsvindt heeft impact op het welbevinden van de cliënt. Uitstraling en comfort dragen bij aan een ‘healing environment’. Als huisvesting niet past bij de zorgvorm, hindert het gebouw de professional en de cliënt. Het gebouw leidt af, met kans op fouten door de professional, en gevoelens van onveiligheid bij de cliënt. Tot zover kan iedereen dat wel navoelen. Maar is het niet ver gezocht, zelfs ‘over de top’, om te stellen dat een gezonde vastgoedportefeuille bijdraagt aan de kwaliteit van zorg? Natuurlijk! Kwaliteit van vastgoed wordt bepaald door juridisch en economische parameters. En er is echt geen verband tussen het resultaat van een intensieve en langdurende behandeling en de huurovereenkomst voor het gebouw waarin die behandeling plaatsvindt. En waarom zou in een slecht presterende vastgoedportefeuille niet toch goede zorg kunnen worden geboden? Een slecht presterende (lees: dure) vastgoedportefeuille kan juist een hoge kwaliteit van huisvesting kennen, waardoor de omstandigheden voor patiënt en zorgmedewerker uitstekend zijn. Uiteindelijk is het hierbij wel de vraag of de zorgorganisatie op termijn voldoende middelen overhoudt, om te blijven bestaan. 

Een voorbeeld uit de jeugdzorg


Zorgaanbieders leggen zelf een direct verband tussen een dure vastgoedportefeuille, faillissement van de zorgorganisatie en de bedreiging van de continuïteit van de zorg.

Ook in de publieke opinie wordt snel een link gelegd tussen de kwaliteit van langdurende zorg en de prestaties van een vastgoedportefeuille. Een recent voorbeeld dat deze stellingname onderschrijft is de casus Zonnehuizen. Uit het onderzoeksrapport van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uit 2012 naar deze casus valt af te leiden dat de bestuurders van deze organisatie onvoldoende aandacht hadden voor een gezonde bedrijfsvoering, waardoor de organisatie uiteindelijk failliet is gegaan. Dit mismanagement wordt in het genoemde onderzoeksrapport onder andere ‘bewezen geacht’ door de slechte kwaliteit van huisvesting: de inspectie voor Volksgezondheid zou zelfs hebben gezegd dat dit in “deplorabele staat verkeert”. Noodzakelijk geachte (ver)nieuwbouwplannen werden niet opgepakt, de waarde van het vastgoed is te lang te hoog gewaardeerd. Toen uiteindelijk een reële waardering van het vastgoed plaatsvond, bleek faillissement onafwendbaar. Door de onzekerheid rond het faillissementstraject signaleert het rapport dat de kwaliteit van de zorg ook in het geding raakt. Het eerder aangehaalde onderzoeksrapport: “Sinds het uitspreken van het faillissement op 27 december 2011 is er sprake van een cumulatie van spanning en onzekerheid onder cliënten en medewerkers. Hierdoor nemen de risico’s met betrekking tot de continuïteit en kwaliteit van zorg en de veiligheid voor cliënten toe. Bovendien zijn de randvoorwaarden voor het bieden van verantwoorde zorg niet voldoende op orde.” 

Vastgoed als peilstok voor goed bestuur?


In de publieke opinie wordt aangenomen dat het belang van de cliënt niet voorop stond bij de bestuurders, als de organisatie failliet gaat. Management dat integraal handelt, wordt geacht in staat te zijn een gezonde bedrijfsvoering te voeren, waar huisvesting en vastgoed onderdeel van uitmaken. Het beperken van juridische en financiële risico’s van vastgoed, vraagt om aandacht en actie van een zorgaanbieder. Tot op heden was er weinig aandacht voor risico’s van vastgoed in de langerdurende zorg: in de AWBZ bijvoorbeeld, werden kosten voor vastgoed tijdens de exploitatie neergelegd bij het collectief.

De verwachting is dan ook, dat de opgave voor bestuurders in de zorg de komende jaren zich zal afspelen op het vlak van integraal denken & handelen én integriteit. De verbinding tussen de kwaliteit van de geleverde zorg en een gezonde bedrijfsvoering, loopt via de organisatie-integriteit. Hier bedoel ik mee dat bestuurders en medewerkers in een zorgorganisatie zich meer en meer zullen gaan gedragen als ethische maatschappelijke ondernemers, die zich bewust zijn van de veranderende omstandigheden in het veld. Bestuurders, managers en medewerkers hadden als het goed is bij hun eigen handelen al aandacht voor integriteit, maar door de veranderende context krijgen zij behoefte aan meer integere en meer transparante processen binnen hun organisatie. En vanuit die behoefte, zullen die processen hopelijk ook worden ontwikkeld en ingericht.


Bron: paper E. Bezemer, Executive MBA Nijenrode, Modele Markt, Recht en Ethiek

donderdag 12 maart 2015

Vastgoed en de transitie van de jeugdzorg

Bij de transitie van de jeugdzorg is het onderwerp huisvesting en vastgoed nauwelijks in beeld van de wetgever. Het is natuurlijk ook best lastig: de jeugdzorg werd voor 2015 vanuit verschillende overheden aangestuurd en die hadden allemaal eigen regels rond de (financiering van) vastgoed.

Provinciale jeugdzorg

Binnen de provinciaal gefinancierde jeugdzorg waren de provincies vrij om zelf te bepalen hoe zij huisvesting organiseerden voor de jeugdzorg. In veel provincies kwam het erop neer dat de provincie van bestaand vastgoed (grond en opstallen) het eigendom overdroeg aan een jeugdzorgaanbieder. Ook was het mogelijk dat de provincie, in overleg met de jeugdzorgaanbieder, nieuwbouw realiseerde en ook het eigendom overdroeg. Elke provincie bepaalde zelf hoeveel geld er naar de jeugdzorg ging, en had vaak ook eigen kwaliteitsstandaarden. Sommige provincies hebben een ‘klem’ op het vastgoed: het mag niet verkocht worden zonder overleg en de opbrengst moet terugvloeien naar de jeugdzorg of naar de provincie. Andere provincies hanteren deze klem niet.
Alle provincies deden aan lump sum vergoedingen: de zorgaanbieder werd betaald per (opgestart) zorgtraject. Uit deze vergoeding moest ook het vastgoed worden bekostigd. 

Jeugdzorg vanuit de AWBZ

Vastgoed dat binnen de AWBZ gerealiseerd is, voldeed aan de op dat moment geldende landelijke kwaliteitseisen. Deze kwaliteitseisen kwamen tot stand door klassiek polderen, met zorgaanbieders, zorgverzekeraars en overheid, en waren direct gelinkt aan een kostenplafond voor investeringen in vastgoed. Het vastgoedregime binnen de AWBZ ging uit van eigendom van het vastgoed door de jeugdzorgaanbieder. Middelen om vastgoed te realiseren kwamen van de rijksoverheid. Kosten voor exploitatie van vastgoed werden niet meegenomen bij investeringsbeslissingen.
Indien vastgoed werd verkocht, werd meegekeken of de beoogde transactie correct tot stand kwam en de opbrengst marktconform was.

Bekostiging van vastgoed na de transitie

In juni 2014 informeerde de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG) haar leden over de mogelijkheden voor het inkopen van jeugdhulp, die tot voor kort onder de AWBZ viel en hoe je specifiek kon omgaan met het vastgoed. Kern van deze informatie was dat het Ministerie van VWS een deel van deze kapitaallasten voor haar rekening zou nemen tot en met 2017. Dit zorgt ervoor dat de gemeente niet ineens geconfronteerd werden met deze hoge, en relatief vaste kostencomponent en ook dat de jeugdzorginstellingen enige zekerheid hadden. De VNG schrijft dat vanaf 2018 gemeenten en aanbieders integrale tarieven kunnen afspreken. Kunnen, niet moeten. Gemeenten zijn niet verplicht de vastgoedportefeuilles zoals deze nu zijn, duurzaam te blijven bekostigen. Dit kan betekenen dat gemeenten wel zorg willen afnemen van zorgaanbieders, maar niet al het  vastgoed willen subsidiëren. Duidelijk is nu al te zien dat gemeenten aansturen op vergaande ambulantisering en daar heeft een zorgaanbieder steeds minder vastgoed voor nodig. Het gevolg zou kunnen zijn dat zorgaanbieders het bestaande vastgoed niet meer met een gezond rendement kunnen exploiteren en hierdoor op termijn in financiële problemen raken.

woensdag 11 maart 2015

Huisvesting en vastgoed: twee kanten van dezelfde medaille

De begrippen huisvesting en vastgoed in de zorgsector

De begrippen ‘huisvesting’ en ‘vastgoed’ worden vaak in één adem genoemd. Zeker in een maatschappelijke sector als de gezondheidszorg, maar net zo goed in het onderwijs. Men zou kunnen gaan denken dat de begrippen onderling uitwisselbaar zijn. Maar huisvesting en vastgoed zijn niet elkaars synoniem, en dus is, zeker in de maatschappelijke sector, huisvestingsbeleid iets anders dan vastgoedbeleid. Binnen een zorgorganisatie levert dit misverstand spraakverwarring op tussen professionals uit het primaire proces en collega's of zelfs externen die bezig zijn met huisvesting en vastgoed. Da's onnodig. 

Huisvesting in de zorg

Het woordenboek geeft als betekenis voor huisvesting: het geven van onderdak, of dat onderdak.
In de zorgsector heeft het begrip huisvesting voor mij  een bredere connotatie, die te maken heeft met de activiteit die onder dat ‘onderdak’ plaatsvindt. Bij huisvesting draait het om de fysieke ruimte om in te verblijven. Als we spreken over kwaliteit van huisvesting in de zorg denken we aan comfort, maar ook aan functionaliteit. Kwaliteit van zorghuisvesting refereert aan eigenschappen van die huisvesting die het mogelijk maken om die zorg te verlenen waaraan behoefte is: een ruime kamer, het binnenklimaat is aangenaam, de ruimte is licht etc.

Vastgoed in de zorg

Het begrip vastgoed wordt in het dagelijks taalgebruik vaak gebruikt met connotaties zoals eigenaarschap, rendement en vermogen. Economische en juridische begrippen dus. Als er gesproken wordt over kwaliteit van vastgoed, gebeurt dat meestal met die economische en juridische blik: ‘goed’ vastgoed is vastgoed dat een mooi rendement oplevert, en dus een goede belegging is. Waarbij duidelijk mag zijn dat de hoogte van het rendement waar een vastgoedbelegger met zijn portefeuille naar streeft, afhankelijk is van de functie die het vastgoed heeft en de termijn waarin hij dat rendement wil halen. Bij een vastgoedportefeuille met kantoren en winkels, past een andere tijdshorizon en een ander rendement dan bij een portefeuille met woningen en zorggebouwen. Ik hecht eraan te zeggen dat beide genoemde vastgoedportefeuilles hun waarde hebben en even aantrekkelijk kunnen zijn: dat hangt af van de mindset, het perspectief, het doel van de belegger die naar een belegging zoekt.

Balans


De verzameling van gebouwen die zorgaanbieders gebruiken voor het verlenen van zorg worden binnen die zorgorganisatie soms bekijken vanuit het perspectief van huisvesting, soms soms vanuit het begrip vastgoed. Beide perspectieven zijn nodig en waardevol, vanuit beide perspectieven moet beleid worden gemaakt. Essentie daarbij is dat hierin beide perspectieven bij elkaar worden gebracht en in balans kunnen raken bij de uitvoering van het beleid. Als echter sprake is van onbalans, gaat het mis en kunnen de gevolgen groot zijn. Wordt teveel nadruk gelegd op het realiseren van goede huisvesting, dan raakt de kosteneffectiviteit uit het oog en wordt de portefeuille te duur. Ligt de focus op goed vastgoed, dan kan de functionaliteit van het vastgoed voor het primair proces uit het oog raken, waardoor de kwaliteit van zorg in het geding raakt.    

Bron: paper E. Bezemer, Executive MBA Nijenrode, Modele Markt, Recht en Ethiek

zaterdag 23 februari 2013

College Sanering en de toekomst

Wat moet dat heerlijk zijn: als columnist voor de Zorgvisie elk jaar hetzelfde onderwerp kunnen gebruiken en dan je eigen woorden aanhalen (het lijkt Jacques Brel wel) om je standpunt weer te geven.

Klaas Meersma, partner bij AKD advocaten&notarissen, schrijft al zeker drie jaar op rij over zijn weerzin tegen het College Sanering. In zijn meest recente tekst, van 27 juli 2012, schiet hij op het College aan de hand van het jaarverslag.
Nou heb ik in mijn werk ook niet alleen maar zegeningen ervaren van dit College. Maar om het nu zo belachelijk te maken zoals Meersma doet, dat gaat me te ver. Met name het op de man spelen, op de personen van de directie en de gemachtigden, daar houd ik niet van. Want de argumenten, daar gaat het om.

De stelling van Meersma is, dat het toezicht houden op het vervreemden van onroerend (zorg)vastgoed geen publieke taak is.
Helaas lees ik in zijn columns nergens een argument om deze stelling, die overigens heel interessant is, te ondersteunen. Wat is wel zie is dat hij de vorm, het College Sanering dus, waarin die toezichthoudende taak wordt uitgevoerd onderuithaalt.

De vorm

En hoewel dus de wijze waarop Meersma dat doet, niet de mijne is, kan ik me wel vinden in het ter discussie stellen van het in stand houden van een zelfstandig bestuursorgaan voor een taak die tot nu toe zeer beperkt is. Ook heb ik vraagtekens bij de vorm waarin het toezicht wordt gehouden: met een pool van onafhankelijke (maar wat is onafhankelijk?) zzp-ers. Het is een set van vaak gepensioneerde old boys (het zijn echt bijna alleen maar mannen) in het zorgvastgoed die de rol van gemachtigden invullen. In de praktijk gaat het, los van de kwestie of nu echt de juiste expertise aan tafel zit, wringen dat de gemachtigden alle tijd van de wereld hebben en vastgoedcasus zien als een hobby, waar de zorgorganisatie haast heeft en wil doorwerken. Elk uur dat de gemachtigde aan een casus besteed, mag hij declareren, dus gevoelsmatig lijkt er wel 'ns wat te worden gerekt.
Het tempo van het bureau in Utrecht is eveneens van ambtelijke kwaliteit en dat samen zorgt niet voor geringe frustratie bij zorgorganisaties. Transacties in het vastgoed zijn niet gebaat bij lange procedures, met aan het eind altijd nog een dichte mist of het College Sanering nu wel of niet goedkeuring gaat geven. Onzekerheid drukt de prijs, zullen we maar zeggen.

College Sanering en de extramuralisatie


Ik heb al eerder geschreven over de gevolgen van het scheiden van wonen en zorg (dat nu tegenwoordig zelfs helemaal vervangen is door het principe van extramuralisatie) in relatie tot het College Sanering. Reikhalzend heb ik uitgekeken naar de nieuwe beleidsregels hoe dit College om zou gaan met het vervreemden van al dat vastgoed. Het woord 'tsunami' is van toepassing op het aantal te verwachtten aanvragen. Gelukkig is per 14 februari 2013 duidelijk geworden dat je het wel moet melden als je aan kamerverhuur gaat doen en dat het College aan zal geven of goedkeuring is vereist. Duidelijk is dat zij ervan uitgaan dat dit meestal wel het geval zal zijn. Echter, het College geeft grootmoedig aan dat zij niet bij elke individuele kamer een besluit zal gaan nemen, maar meer op hoofdlijnen voor een complex. Dit lijkt in ieder geval de betrokkenheid van gemachtigden in deze processen te waarborgen.

Het rapport van Berenschot van januari 2013 met de voorspelling dat 800 verzorgingshuizen gesloten zullen gaan worden omdat het niet mogelijk zal blijken om huurprijzen te vragen die nodig zijn om de kosten te dekken, klinkt dramatisch. De sluiting van een verzorgingshuis hangt, vreemd genoeg, niet alleen af van financiële parameters. De behoefte aan deze voorzieningen is niet ineens weg in de komende twee of drie decennia. Ouderen zullen gaan ervaren dat alternatieven soms niet haalbaar blijken (bv. thuisblijven wonen in een woning met trap, met de kinderen aan de andere kant van het land). Mensen zullen moeten wennen aan het gegeven dat ze meer moeten betalen voor hun huis en hun zorg. Maar als de kwaliteit van de zorg en de huisvesting goed is en de druk maar hoog genoeg, dan wordt alles vloeibaar. Echter, voor mij blijft het een open vraag of zorginstellingen en corporaties elkaar in de nieuwe onderlinge afhankelijkheid kunnen vinden en niet te veel en te snel in de wielen worden gereden door procedures vanuit een instituut als het College Sanering.
 


Duurzaam inzetbaar?


Een introductiedag voor nieuwe medewerkers. Door de interne P&O-er wordt enthousiast verteld over de laatste trend in zijn vakgebied: het fenomeen duurzame inzetbaarheid. Zijn verhaal doet me denken aan een bekende uitspraak van John F. Kennedy. ”Ask not what your country can do for you - ask what you can do for your country.” Maar dan moet je in plaats van ‘country’ ‘organisatie’ lezen.

Duurzaam inzetbaar zijn betekent dat ja als medewerker gezond, productief en gemotiveerd bent, binnen en buiten de organisatie. Je kunt er dus van alles van maken, waardoor duurzame inzetbaarheid weer zo’n containerbegrip wordt, wat volgens mij maar weinig mensen enthousiast maakt.

Ik hoor en lees vanuit de vakbond en de werkgeversorganisaties vooral berichten dat duurzame inzetbaarheid sterk gekoppeld wordt aan de ‘oudere werknemer’. Je bent al een oudere werknemer als je de 45 bent gepasseerd, ja echt waar. Als je dus ouder bent, moet je er zelf voor zorgen aantrekkelijk te blijven voor een werkgever. Je moet je kennis op peil houden, door zelf initiatief te nemen voor opleidingen en trainingen. Je moet jezelf presenteren als interessante partij, omdat je behalve kennis en ervaring, zo prettig flexibel bent omdat je geen kinderen meer thuis hebt. Sterker nog, je hebt recht op opleiding, want doet de werkgever niets, dan faalt zijn HR beleid en kan hij je nooit verwijten dat je ‘te duur’ zou zijn. Zie de discussie bij Cap Gemini over de vrijwillig verplichte salarisdaling. Standpunt van de vakbond is daar: het is de schuld van Cap Gemini dat de werknemers daar zichzelf niet terug kunnen verdienen. Dan had het management maar tijdig moeten bijsturen en de medewerkers op cursus moeten sturen.

Is het dan automatisch zo dat jongere medewerkers altijd werken aan hun duurzame inzetbaarheid? En dat daar niet meer naar hoeft te worden gekeken om dat zo te houden? Jongeren zijn zich over het algemeen meer bewust van de onzekerheid van hun baan dan oudere medewerkers met vaste contracten. Ik denk dat dit wel eens vergeten wordt in de berichtgeving in de media over verschillen tussen de belangen van generaties, maar er is echt niemand van onder de 40 die zich volkomen veilig waant in z’n baan en denkt dat ontslag of faillissement hem of haar nooit zal overkomen. Daarvoor kent iedereen teveel mensen in de eigen omgeving die dat hebben meegemaakt.

Werkenden in de zorg bijvoorbeeld, worden met jaarcontracten binnen gehaald, na afloop van het contract aan de kant gezet, zodat ze maar bij de concurrent in de regio aankloppen, die hen ook weer een jaarcontract biedt. Zo bouw je niets op aan zelfbewustzijn, geschiedenis met de organisatie, of harde contractuele individuele rechten, maar voldoe je wel aan het duurzame inzetbaarheidsideaal. Het rondpompen van menselijk kapitaal dat ook nog bij lange na niet effectief wordt benut. Geen hypotheek te krijgen voor deze mensen, maar dat is hun probleem, niet van de organisatie. Wat dat voor effect heeft op de woningmarkt is duidelijk, maar we doen net alsof dat niets met elkaar te maken heeft.

Veel organisaties sluiten mensen met een jaarcontract sowieso uit van de mogelijkheid tot interne of externe opleiding. En krijgen hun HR beleid op dit punt bevestigd, doordat deze medewerkers in de flexibele schil redelijk snel weer aan de slag raken, in ieder geval tot een bepaalde leeftijd. Je hoeft niet te vragen, wat voor loon deze mensen moeten accepteren om überhaupt nog te kunnen werken, maar zij zien het overal om zich heen gebeuren en weten dat klagen geen zin heeft. Integendeel.

De campagne van het ministerie van SZW over duurzame inzetbaarheid van werknemers probeert de werkgevers te interesseren voor het onderwerp door te wijzen op het op deze manier kunnen verhogen van de productiviteit, vooral door het verlagen van het ziekteverzuim. Maar werkgevers wijzen op de eigen verantwoordelijkheid van de medewerkers, ook voor hun gezondheid, en lijken de daling van de inzetbaarheid van ouderen liever te accepteren dan te willen oppakken. Gemakszucht. Omdat het op dit moment in de huidige arbeidsmarkt minder ingewikkeld is om nieuwe goedkope jonge mensen te werven. Ook hierin zal de demografie uiteindelijk het laatste woord hebben.

 

 

maandag 6 augustus 2012

Zorg en afstand: waarom de Nederlander geen consument is

Zorg dichtbij, da's belangrijk. En dan moet het wel excellente zorg zijn. Hoe is het zo gekomen dat we in Nederland denken dat het kan: top-zorg om de hoek?
Even extreem: In de derde wereld weet iedereen (en wij weten het vandaar ook) dat je voor gezondheidszorg een eind moet reizen en dat je het alleen overleeft als je familie voor je zorgt tijdens je opname. Maar dat is hier in Nederland een heel ander geval: wij hebben geld en wij zijn solidair. Dit levert een fijnmazig netwerk van hoogwaardige zorg op. Overal in dit netwerk is de kwaliteit van de zorg hetzelfde en de beste van de wereld. Daar hebben we recht op, want daar betalen we voor via premies en volksverzekering.  Het zit er zo diep in, dat de introductie van marktwerking er veel last van had en heeft. Natuurlijk zal de klant voor z'n gezondheid niet marchanderen met de prijs. Wat maakt het uit wat iets kost, als het maar helpt. Maar de klant kan wel kiezen op kwaliteit (alleen het beste is goed genoeg) maar doet dat niet. Allereerst ontbreken alle mogelijke gegevens om te kunnen vergelijken op kwaliteit. De gegevens die nu op internet te vinden zijn, zijn te abstract en zijn voor de leek zonder toelichting niet te duiden. Van die leuke afkortingen waar de zorg zo goed in is. Maar volgens mij is het nog belangrijker dat een klant zich nu niet kan voorstellen, dat er verschil in kwaliteit kan zijn.

Een casus. Een fitte vutter heeft last van staar. Hij moet hieraan worden geholpen. Zijn hele werkzame leven reed hij dagelijks op en neer naar Rotterdam. Daarnaast reed hij door het hele land voor dienstreizen. Afstanden bestaan niet, mobiliteit een eerste levensbehoefte. Voor een mooie tentoonstelling is geen brug te ver. Maar voor de oogoperatie kiest hij voor het ziekenhuis om de hoek en niet voor het alternatief bij het gespecialiseerde oogziekenhuis in Rotterdam. Argument: ik kan er op de fiets naartoe en dan fiets ik op m'n gemak met een oog dichtgeplakt weer naar huis. Kende hij het alternatief niet? Jawel. Maar hij kon zich niet voorstellen dat er kwalitatief verschil zou kunnen zijn. Helaas was dat verschil er wel. Het resultaat viel erg tegen, zicht verslechterde. Nazorg was beroerd (stil maar, wacht maar) en nu mag er niemand meer aankomen want het vertrouwen is weg. Want nog steeds kan hij zich niet voorstellen dat de ene dokter iets kan wat een ander niet kan.

Hoe kan het dat we zo denken? Dat is sinds de wederopbouw gepropageerd door de overheid. En dan bedoel ik 'propageren' te laten klinken als propaganda. Wij in Nederland zouden herrijzen. Woonruimte, werk en gezondheidszorg voor iedereen, iedereen gelijke kansen. De dogma's van de verzorgingsstaat. Nu de verzorgingsstaat is begraven en de marktwerking als nieuw evangelie wordt gepredikt, hoort daar een mentaliteitsverandering bij de burger bij. Die kan deze omslag alleen maken als hij informatie heeft over de kwaliteit van de zorg. En dan moet de overheid niet alleen de discussie in de zorg willen voeren over de kosten. Want dat boeit de burger niets, hij heeft rechten. Pas als we de discussie voeren over wat de kwaliteit is die je krijgt voor je geld, zal hij wakker worden en zich als consument gaan gedragen. En dat laatste is nodig. Anders blijven we ons geld uitgeven aan zorg die eigenlijk onder de maat is. Dus weg met alle krampen bij brancheorganisaties en verzekeraars, bestuurders en politici en specialisten en geef informatie over ingrepen, maak het vergelijkbaar en begrijpelijk.
Om de casus door te trekken: zou de fitte vutter (en al zijn lotgenoten) zich wel als consument gaan gedragen, betekent dit de sluiting van de functie in het regionale ziekenhuis  (op zich al kostembesparend) en een verhoging van de productie in het gespecialiseerde ziekenhuis, zodat de kostprijs per ingreep daar lager zou kunnen worden. De oogartsen daar raken nog meer bedreven in de ingreep, wat weer ten goede komt aan de kwaliteit. 

zondag 24 juni 2012

Geef monument eerst een proeftijd


In Nederland staan ruim 50.000 gebouwen die de status van rijksmonument hebben. Elk jaar komen daar nieuwe bij. Om te voorkomen dat gebouwen leeg staan of niet succesvol worden geëxploiteerd, moeten zij eerst een proeftijd als monument krijgen.
De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed wijst vaak naoorlogse gebouwen als monument aan. Vaak wordt zo sloop voorkomen. Maar verdienen alle aangewezen gebouwen de status van monument? Een oud gebouw wordt een echt monument door een unieke combinatie van architectuur, locatie en de loop van de geschiedenis op deze plek. Voor gebouwen van de 20ste eeuw is vaak nog niet duidelijk of ze die bijzondere brede culturele waarde hebben. En door het zekere voor het onzekere te nemen zijn veel van deze gebouwen tot rijksmonument verheven.
Maar alle rijksmonumenten moeten worden bewaard voor het nageslacht en dat kost heel veel geld. Bij bijna iedere aanpassing aan het gebouw moet toestemming worden gevraagd. De Rijksdienst probeert het aanvragen van subsidie makkelijker te maken, maar de bedragen zijn nooit toereikend. Het vinden van een goede bestemming waarbij het economisch haalbaar is om het monument te onderhouden, blijkt vaak moeilijker dan gedacht. Herbestemmen is hot, maar vastgoedondernemers lijken dit soort gebouwen nu te mijden in het huidige gure economische klimaat. Ook de overheid is huiverig geworden om in te stappen
Als er geen middelen zijn voor investering of exploitatie volgt leegstand. Maar door relatief jonge monumenten goed te documenteren, en de documenten hiervan bijvoorbeeld ook via internet te ontsluiten, worden zij toegankelijk en kunnen zo ook beter hun waarde ‘bewijzen’. Geef deze gebouwen eerst een ‘proeftijd’: als ze aantonen blijvend van waarde te zijn door hun unieke combinatie van architectuur, uitstraling, betekenis en functie kan een definitieve aanwijzing tot monument een echte beloning zijn.

(deze tekst is gepubliceerd op de opiniepagina van het FD, 19 juni 2012)

zondag 17 juni 2012

De verhuurdersheffing en het scheiden van wonen en zorg

In het Regeerakkoord van het kabinet Rutte van 2 jaar geleden is voor de corporatiesector een aantal nieuwe maatregelen opgenomen. Verhuurders, die meer dan tien woningen verhuren, zouden door middel van een heffing bij gaan dragen aan de huurtoeslag. Vanaf 2014 zou deze maatregel in gaan en dan zou de opbrengst van deze heffing voor heel Nederland € 760 miljoen per jaar moeten zijn. Dit heet de 'verhuurdersheffing'. Het was een pittige regeling, die enigszins verzacht  werd doordat corporaties de huurder voor scheefwoners harder mochten laten stijgen. Dat laatste is van de baan voorlopig, maar met het Lenteakkoord is wel besloten dat de verhuurdersheffing al  in 2013 wordt ingevoerd, een jaar eerder dus, dan gepland. De specifieke wetgevende teksten moeten nog gemaakt, maar als die voor 31-12 a.s. klaar zijn, gaat het spel op de wagen.

Wat betekent dit voor de zorgsector? En dan vooral in relatie tot het scheiden van wonen en zorg, dat met datzelfde Lenteakkoord is omgebogen tot extramuralisering.
Door deze extramuralisering zijn zorgorganisaties gedwongen om zorgwoningen te gaan verhuren. Het kan dan gaan om vastgoed in eigendom maar ook om vastgoed dat al gehuurd wordt van een corporatie en dus onderverhuurd moet gaan worden.
Zorgorganisaties worden zo dus verhuurder, zonder dat ze daardoor gelijk een toegelaten instelling in de volkshuisvestingssector zijn. Allereerst worden nieuwe cliënten met lage ZZP's huurder van zorgorganisaties, maar het zal vast niet lang duren of alle bestaande cliënten moeten de woonruimte waar ze nu zitten gaan huren. Volgens mij gelden dan de regels voor de verhuurdersheffing onverkort voor zorgorganisaties, De doelgroep van huurders zal immers huurtoeslag gaan ontvangen en daar moeten verhuurders in gaan bijdragen. Enig criterium is een minimum aantal verhuurde eenheden (10), maar daar zullen zorgorganisaties al snel aan toe zijn.

Veel GGZ en GHZ organisatie hebben vastgoed in eigendom, ook waar het lagere ZZP doelgroepen betreft. Helaas, mag ik uit ervaring zeggen, blijkt dat bezit altijd groter te zijn dat ze zelf denken. Er zitten veel 'erfenissen' in de vastgoedportefeuille die niet altijd scherp op het netvlies staan. Dus over dat eigendom zullen ze wel door de Belastingdienst, die de maatregel moet gaan uitvoeren, worden aangeslagen. Maar hoe zit het met vastgoed dat die zorgorganisatie al huren van een corporatie en moeten gaan onderverhuren? Wie wordt dan door de Belastingdienst aangeslagen: de corporatie als eigenaar of de zorgorganisatie als verhuurder? Voor de zorgorganisatie is het dan te hopen dat de verhuurdersheffing een 'bezitsheffing' is. Zorgorganisaties kunnen nooit voor 1-1-13 nog een financiële reserve aanboren om al die heffingen te dragen. Door de omvorming van het scheiden van wonen en zorg naar extramuralisering komt deze verhuurdersheffing ook wel heel onverwacht in het vizier, daar hebben zorgorganisaties zich nooit op kunnen voorbereiden. Het zal al een hele dobber zijn om alles op tijd op een rijtje te hebben voor nieuwe lage ZZP's en financieel boven water te blijven bij een verhuurdersheffing, zeker ook na 2014, als de extramuralisering verder zal worden doorgezet.



zaterdag 16 juni 2012

Kostendiscussie en bereikbaarheid van SEH's

Stress in ziekenhuisland: de RvZ geeft aan dat Nederland met 'minder ziekenhuizen' toe zou kunnen.  Het is nodig om de meer complexe en acute zorg op minder plekken te concentreren, omdat anders de kosten van de zorg onhoudbaar door zullen groeien. Ziekenhuizen, met name de kleinere en meer lokaal georiënteerde, proberen nu zelfs via bijzondere polissen hun bestaansrecht te bewijzen. Minister Schippers probeert ondertussen een brede maatschappelijke discussie op gang te krijgen via Youtube en Facebook over de betaalbaarheid van de zorg in de toekomst. Tja, wat moet je daar als burger van vinden?

Soms is klein beter, soms groot. Klein is op de menselijke maat toegesneden en persoonlijk, natuurlijk vinden we dat beter. Wanneer of hoe zou groot dan beter zijn?

Het Calamiteitenhospitaal in Utrecht, onder het UMCU, is een 'slapend ziekenhuis' of een stand-by ziekenhuis. Normaal is er geen patíënt te vinden. Maar bij grootschalige ongelukken zoals met bussen of vliegtuigen, of incidenten zoals een overstroming kan het binnen een half uur opgestart zijn en volledig draaien zodat de meest ingewikkelde en complexe gewonden geholpen kunnen worden op het allerhoogste niveau. Ze noemen dat daar ook wel: van 0 tot 200 in 30 minuten. En die 200, dat zijn dan de bedden. Ze kunnen er alles aan en hebben overal ervaring mee, ook dankzij de militaire achtergrond. Denk aan brandwonden, schotwonden, bacteriële infecties, enge virussen, vergiftigingen. Alle zwaargewonden van mogelijke rampen en ongelukken op land, in de lucht en op het water zijn welkom in het Calamiteitenhospitaal. En alle slachtoffers van hetzelfde incident kunnen daar tegelijk terecht, je hoeft dus als familie niet te zoeken waar iemand is (denk nog maar even aan het vliegtuigongeluk met Turkish Airlines waar één vrouw pas na 3 dagen de dood van haar man bevestigd kreeg, omdat niemand wist waar hij naartoe gebracht was).

Wat dit te maken heeft met de kostendiscussie uit de eerste alinea? Zo'n Calamiteitenhospitaal kost toch alleen maar geld? De beschikbaarheid alleen al kost zo'n 3 miljoen per jaar, zo heb ik begrepen.
Zouden we dit Calamiteitenhospitaal niet hebben, dan houden we het systeem dat bij een groot incident met veel slachtoffers deze mensen allemaal volgens een door-gepolderd verdelingssysteem over de regionale ziekenhuizen worden verspreid. Ongeacht of daar de juiste kunde in huis is (denk bijvoorbeeld aan de slachtoffers van de schietpartij in Alphen, die met meervoudige schotwonden in het streekziekenhuis belandden) en wat dit betekent voor de belasting van de SEH daar? SEH's raken verstopt met gewonden van de lichtere categorie, die soms zelf naar het ziekenhuis komen, zodat de zwaargewonden die later per ambulance binnengebracht worden niet kunnen worden opgevangen. Regionale SEH's zijn niet voorbereid op de logistieke vraagstukken rond grote groepen gewonden, het Calamiteitenhospitaal wel.

Ik denk dat de beschikbaarheid van het Calamiteitenhospitaal goed kan zijn in financiële zin voor de BV NL. Het zou vaker ingezet kunnen worden dan nu gebeurt. Wat mogelijk als gevolg kan hebben, dat SEH's in bepaalde regio's kunnen sluiten, omdat de beschikbaarheid en de overcapaciteit minder groot hoeft te zijn. En dat scheelt heel veel geld!
Wel speelt hier altijd de emotionele discussie over de afstand naar een SEH. Mijn idee is echter, dat het veel belangrijker is dat we binnen een bepaalde tijdslimiet goede artsen ter plaatse hebben, bv. met helicopters, die goed kunnen triageren. Want zeg nou zelf, het gaat om de kwaliteit van zorg. Niemand wil een SEH om de hoek, waar ze met jouw brandwonden, infectieziekten etc. geen raad weten. Of de verwondingen niet goed inschatten en je naar huis sturen met inwendige bloedingen, omdat het zo druk is. Ik zou een half uur verder rijden, want zo groot is Nederland ook weer niet!




dinsdag 12 juni 2012

Babyluikjes helpen niet tegen infanticide

Op 2 juni schreef publiciste Heleen Crul een opiniestuk in het NRC met als titel 'Babyluikjes of babylijkjes'. Zij betoogt de terugkeer van de mogelijkheid in onze samenleving van het anoniem afstaan van pasgeboren kinderen. Zij onderbouwt dit met de stelling dat dit babymoord zou voorkomen.

Als in de krant nieuwsberichten verschijnen over neonaticide, het doden van pasgeboren kinderen, vaak door de moeder, is dit altijd schokkend. Het gaat in tegen alles wat begrijpelijk of logisch verklaarbaar is. Sommigen zeggen dan ook dat het 'tegen de natuur' is. Bekende gevallen van meervoudige babymoord zijn de laatste jaren de vrouw uit Nij Beets en de vrouw uit Beverwijk. Als je eerlijk naar deze gevallen kijkt, met simpel boerenverstand, moet je toch bekennen dat een babyluikje voor deze baby's niet de redding zou zijn geweest. Waarschijnlijk, al weten we dat niet zeker, was er veel meer aan de hand met de geestelijke gezondheid van deze moeders en al meerdere jaren....

Maar zou het te vondeling leggen van een baby enkelvoudige neonaticide kunnen voorkomen? Ik vraag het me sterk af. In Nederland is er een veel opener klimaat als het gaat om ongewenste zwangerschappen in vergelijking met de periode kort na de oorlog. Bij ongewenste zwangerschap zijn er veel mogelijkheden om tot een oplossing te komen voor moeder en kind. En ja, natuurlijk zijn er ook nu gemeenschappen waarin een ongewenste zwangerschap nog steeds als een groot schandaal wordt gezien, vergelijkbaar met hoe we er in de jaren 50 mee omgingen. Maar kunnen de jonge vrouwen die in die gemeenschappen gevangen zitten, dan wel zo'n babyluikje bereiken als het ze niet lukt om de huisarts benaderen bijvoorbeeld? Waar moet zo'n luikje dan komen? In hartje Amsterdam? Hoe moet je daar als moslima uit Kerkrade, om maar 'ns iets te noemen, ooit komen in je eentje met een baby die er niet mag zijn?

Als jonge moeders in nood zijn en geen mogelijkheid zien om het kind zelf op te voeden of om het veilig voor schande af te staan, dan zien zij altijd kans om het kind te vondeling te leggen. Of we nu wel of geen babyluikjes maken. Hiervan herinneren we ons toch ook de gevallen? Moeders die hun kind te vondeling leggen doen dat meestal op een plek waarvan ze zeker weten dat hun kind snel gevonden wordt én waarvan ze denken dat het goed wordt opgevangen. Zij plannen dit zo goed als ze kunnen. Begin dit jaar nog was er een moeder in Groningen zo wanhopig dat ze haar kindje op de stoep van het politiebureau legde. Deze moeder is inmiddels gevonden. En dat vinden we als maatschappij toch de juiste weg? Een kind heeft een grondrecht om te weten wie z'n ouders zijn.

En oh ja, we maken anonieme zaaddonatie onmogelijk, maar zouden babyluikjes introduceren? Beetje tegenstrijdig!

Lobby-en werkt! LG en het scheiden van wonen en zorg

Op 4 april bracht het CVZ een signalement uit 'Zorg en wonen'. Daarin worden scenario's voor scheiden van wonen en zorg uitgewerkt en tot op zekere hoogte doorgerekend in hun macroconsequenties. Het fenomeen mini-NHC werd in dit document inhoud gegeven. Hoewel CVZ de hele AWBZ meenam in dit signalement, werden de afzonderlijke ZZP indicaties wel netjes afgepeld op hun kansen of juist onmogelijkheden om in scheiden van wonen en zorg onder te brengen.

En dan is het ineens 25 mei en ligt er een Lenteakkoord. De AWBZ-zorg wordt helemaal hervormd. De lichte intramurale zorg (ZZP 1-3) wordt voor nieuwe cliënten AWBZ-breed vanaf 1 januari 2013 extramuraal aangeboden. Cliënten moeten voortaan in de eigen omgeving geholpen en verzorgd worden. Het Lenteakkoord doet in een paar zinnen stevige uitspraken.

En dan is het 8 juni en ligt er een brief over de contracteerruimte voor 2013. Daarin worden concrete ZZP´s aangewezen die in het regime van ´versterkte invoering van scheiden van wonen en zorg´ oftwel extramuralisatie meegaan. In het rapport van CVZ gaat de LG nog mee, in het Lenteakkoord zou je dat kunnen lezen en in de contracteerruimte staan ze expliciet niet. Knap lobby-werk van VGN!

De VGN heeft, zo beschrijven ze zelf ook op hun website, zich sterk gemaakt voor beperken van doorvoering van het scheiden van het wonen van de zorg in de gehandicaptensector. Het standpunt van de VGN is dat scheiden van wonen en zorg vaak geen meerwaarde heeft voor de cliënt. 'In veel gevallen - bij een zware lichamelijke of zintuiglijke handicap, of bij ernstig meervoudige beperkingen - is een goede woonomgeving zelfs randvoorwaardelijk voor een goede zorgverlening.' Kennelijk is het gelukt voor wat betreft de LG!

Helaas kun je niet alle punten winnen: de bezuinigingen op het vervoer hakken er ongenadig in voor een groot aantal gehandicapten.