maandag 25 februari 2019

Van Obama naar Nashville


Niet dat ik een fan ben, maar ik kreeg de biografie van Michelle Obama zomaar gekregen bij mijn afstudeerfeestje. Een ‘onamerikaans’ open en eerlijk boek. Nuchter van toon, en ik merkte dat het daardoor steeds interessanter en boeiender werd. Ze beschrijft haar leven in drie delen (als kind, als jonge vrouw, als echtgenote van Barack) en analyseert zichzelf en haar keuzes scherp. Uit haar boek spreekt een enorme schatplichtigheid aan haar achtergrond, haar roots. Ze kiest er, na een korte periode op een gerenommeerd advocatenkantoor voor, om mensen die vaak gepasseerd worden op de voorgrond te zetten en hen kansen te bieden. Vanuit de overtuiging dat diversiteit inspireert tot vernieuwing.
Ze reflecteert op het thema diversiteit op het moment dat de inauguratie van Donald Trump plaatsvindt. Ik citeer een stukje: “Ik zat voor de derde keer op de tribune voor de inauguratie voor het Capitool (..). Die opwindende diversiteit van de vorige twee inauguraties was weg, vervangen door wat een lusteloze eentonigheid leek (..) Wat ik wist door het werken in een professionele omgeving – van het rekruteren van nieuwe advocaten voor Sidley & Austen tot het aannemen van personeel voor het Witte Huis – is dat hetzelfde zijn, meer van hetzelfde voortbrengt, totdat je een bewuste poging gaat ondernemen er iets aan te doen.”

Hoewel in de biografie nauwelijks wordt gesproken over het geloof (en hoe ‘onamerikaans’ is dat!) lees ik uit de levensbeschrijving een diepere bezieling, een verlangen naar een betere wereld voor juist die mensen die aan de rand staan. Misschien vond dat juist nu bij mij weerklank omdat we met de denktank 'Johannes in de wijk' zo bezig zijn met de wijk en de nood die daar is proberen te begrijpen. We bespraken dat de bewoners van Overvecht heel divers zijn, en dat dat eigenlijk iets is om te vieren, om te vernieuwen, als het ons lukt om elkaar echt te ontmoeten en de verhalen van al deze mensen te horen en te delen. 

Het huis van verhalen viert de diversiteit. 

En ja, dan is de link naar die ellendige Nashvilleverklaring ook nog in het nieuws. Daarom wil ik jullie een tekst voorleggen, die hangt op de deur van Coventry Cathedral in London. Ik heb 'm vertaald en enigszins aangepast om nog meer aan te sluiten bij een echte kerkelijke presentie in de wijk voor Overvecht.
WELKOM

Hier zijn mensen welkom die alleenstaand zijn, getrouwd of juist gescheiden,
in de rouw of straalverliefd zijn, homo, stinkend rijk of zo arm als een kerkrat zijn.

Van harte welkom zijn alle huilende baby’s en enthousiast stuiterende peuters en kleuters.
Je bent hier welkom als je kunt zingen zoals Pavarotti en als je liever maar wat zacht voor je uit humt. Je bent welkom als je zomaar even komt kijken, net wakker bent of net uit de gevangenis. 

Het maakt ons niet uit of je Roomser bent dan de Paus, of geen kerk van binnen hebt gezien sinds die ene keer met Kerst jaren geleden.

Hier ben je van harte welkom als je de zestig gepasseerd bent, maar nooit volwassen bent geworden of als je een tiener bent die te snel volwassen wilt zijn. Hier zijn muntthee moeders, voetbalvaders, rollator gebruikers, aan lager wal geraakte artiesten, bomenknuffelaars, koffieliefhebbers, vluchtelingen met of zonder status, vegetariërs en zoetekauwen van harte welkom. 

Hier zijn mensen welkom, die proberen af te kicken van hun verslaving of nog verslaafd zijn. We heten iedereen van harte welkom die problemen kent, er even doorheen zit of niet van georganiseerde religie houdt (daar houden wij ook niet zo van).

Onze deur staat voor je open als je denkt dat de aarde plat is, als je te hard werkt, niet werkt, niet kunt lezen of schrijven, of als je met je oma die kwam logeren mee naar de kerk moet.

Wij heten mensen met en zonder tattoos en piercings van harte welkom. Weet je welkom als je juist op dit moment wel een gebed kunt gebruiken, of als jou het geloof door de strot is geduwd toen je kind was of als je de verkeerde kant van het station ben uitgelopen en hier per ongeluk bent beland. Wij heten pelgrims, toeristen, zoekers en zieners, twijfelaars en JOU van harte welkom!


vrijdag 13 maart 2015

Zorgorganisaties failliet door hun vastgoed?



Kwaliteit van zorg is niet eenvoudig te definiëren. Wat is goede zorg? Het antwoord hangt af van het perspectief van degene die je het vraagt. Gemeenten hebben een ander antwoord dan verzekeraars. Familie heeft een ander antwoord dan de cliënt, en zorgverleners hebben weer een ander antwoord. Kwaliteit van langerdurende zorg wordt door vele factoren bepaald. Zonder pretentieus te zijn beweer ik dat huisvesting en vastgoed zeker kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de zorg. En tegelijk stel ik ook het tegenovergestelde: slechte huisvesting en ongezond vastgoed doen af aan de kwaliteit van zorg. 

Kwaliteit van vastgoed


De kwaliteit van het gebouw waarin het verblijf of de behandeling plaatsvindt heeft impact op het welbevinden van de cliënt. Uitstraling en comfort dragen bij aan een ‘healing environment’. Als huisvesting niet past bij de zorgvorm, hindert het gebouw de professional en de cliënt. Het gebouw leidt af, met kans op fouten door de professional, en gevoelens van onveiligheid bij de cliënt. Tot zover kan iedereen dat wel navoelen. Maar is het niet ver gezocht, zelfs ‘over de top’, om te stellen dat een gezonde vastgoedportefeuille bijdraagt aan de kwaliteit van zorg? Natuurlijk! Kwaliteit van vastgoed wordt bepaald door juridisch en economische parameters. En er is echt geen verband tussen het resultaat van een intensieve en langdurende behandeling en de huurovereenkomst voor het gebouw waarin die behandeling plaatsvindt. En waarom zou in een slecht presterende vastgoedportefeuille niet toch goede zorg kunnen worden geboden? Een slecht presterende (lees: dure) vastgoedportefeuille kan juist een hoge kwaliteit van huisvesting kennen, waardoor de omstandigheden voor patiënt en zorgmedewerker uitstekend zijn. Uiteindelijk is het hierbij wel de vraag of de zorgorganisatie op termijn voldoende middelen overhoudt, om te blijven bestaan. 

Een voorbeeld uit de jeugdzorg


Zorgaanbieders leggen zelf een direct verband tussen een dure vastgoedportefeuille, faillissement van de zorgorganisatie en de bedreiging van de continuïteit van de zorg.

Ook in de publieke opinie wordt snel een link gelegd tussen de kwaliteit van langdurende zorg en de prestaties van een vastgoedportefeuille. Een recent voorbeeld dat deze stellingname onderschrijft is de casus Zonnehuizen. Uit het onderzoeksrapport van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uit 2012 naar deze casus valt af te leiden dat de bestuurders van deze organisatie onvoldoende aandacht hadden voor een gezonde bedrijfsvoering, waardoor de organisatie uiteindelijk failliet is gegaan. Dit mismanagement wordt in het genoemde onderzoeksrapport onder andere ‘bewezen geacht’ door de slechte kwaliteit van huisvesting: de inspectie voor Volksgezondheid zou zelfs hebben gezegd dat dit in “deplorabele staat verkeert”. Noodzakelijk geachte (ver)nieuwbouwplannen werden niet opgepakt, de waarde van het vastgoed is te lang te hoog gewaardeerd. Toen uiteindelijk een reële waardering van het vastgoed plaatsvond, bleek faillissement onafwendbaar. Door de onzekerheid rond het faillissementstraject signaleert het rapport dat de kwaliteit van de zorg ook in het geding raakt. Het eerder aangehaalde onderzoeksrapport: “Sinds het uitspreken van het faillissement op 27 december 2011 is er sprake van een cumulatie van spanning en onzekerheid onder cliënten en medewerkers. Hierdoor nemen de risico’s met betrekking tot de continuïteit en kwaliteit van zorg en de veiligheid voor cliënten toe. Bovendien zijn de randvoorwaarden voor het bieden van verantwoorde zorg niet voldoende op orde.” 

Vastgoed als peilstok voor goed bestuur?


In de publieke opinie wordt aangenomen dat het belang van de cliënt niet voorop stond bij de bestuurders, als de organisatie failliet gaat. Management dat integraal handelt, wordt geacht in staat te zijn een gezonde bedrijfsvoering te voeren, waar huisvesting en vastgoed onderdeel van uitmaken. Het beperken van juridische en financiële risico’s van vastgoed, vraagt om aandacht en actie van een zorgaanbieder. Tot op heden was er weinig aandacht voor risico’s van vastgoed in de langerdurende zorg: in de AWBZ bijvoorbeeld, werden kosten voor vastgoed tijdens de exploitatie neergelegd bij het collectief.

De verwachting is dan ook, dat de opgave voor bestuurders in de zorg de komende jaren zich zal afspelen op het vlak van integraal denken & handelen én integriteit. De verbinding tussen de kwaliteit van de geleverde zorg en een gezonde bedrijfsvoering, loopt via de organisatie-integriteit. Hier bedoel ik mee dat bestuurders en medewerkers in een zorgorganisatie zich meer en meer zullen gaan gedragen als ethische maatschappelijke ondernemers, die zich bewust zijn van de veranderende omstandigheden in het veld. Bestuurders, managers en medewerkers hadden als het goed is bij hun eigen handelen al aandacht voor integriteit, maar door de veranderende context krijgen zij behoefte aan meer integere en meer transparante processen binnen hun organisatie. En vanuit die behoefte, zullen die processen hopelijk ook worden ontwikkeld en ingericht.


Bron: paper E. Bezemer, Executive MBA Nijenrode, Modele Markt, Recht en Ethiek

donderdag 12 maart 2015

Vastgoed en de transitie van de jeugdzorg

Bij de transitie van de jeugdzorg is het onderwerp huisvesting en vastgoed nauwelijks in beeld van de wetgever. Het is natuurlijk ook best lastig: de jeugdzorg werd voor 2015 vanuit verschillende overheden aangestuurd en die hadden allemaal eigen regels rond de (financiering van) vastgoed.

Provinciale jeugdzorg

Binnen de provinciaal gefinancierde jeugdzorg waren de provincies vrij om zelf te bepalen hoe zij huisvesting organiseerden voor de jeugdzorg. In veel provincies kwam het erop neer dat de provincie van bestaand vastgoed (grond en opstallen) het eigendom overdroeg aan een jeugdzorgaanbieder. Ook was het mogelijk dat de provincie, in overleg met de jeugdzorgaanbieder, nieuwbouw realiseerde en ook het eigendom overdroeg. Elke provincie bepaalde zelf hoeveel geld er naar de jeugdzorg ging, en had vaak ook eigen kwaliteitsstandaarden. Sommige provincies hebben een ‘klem’ op het vastgoed: het mag niet verkocht worden zonder overleg en de opbrengst moet terugvloeien naar de jeugdzorg of naar de provincie. Andere provincies hanteren deze klem niet.
Alle provincies deden aan lump sum vergoedingen: de zorgaanbieder werd betaald per (opgestart) zorgtraject. Uit deze vergoeding moest ook het vastgoed worden bekostigd. 

Jeugdzorg vanuit de AWBZ

Vastgoed dat binnen de AWBZ gerealiseerd is, voldeed aan de op dat moment geldende landelijke kwaliteitseisen. Deze kwaliteitseisen kwamen tot stand door klassiek polderen, met zorgaanbieders, zorgverzekeraars en overheid, en waren direct gelinkt aan een kostenplafond voor investeringen in vastgoed. Het vastgoedregime binnen de AWBZ ging uit van eigendom van het vastgoed door de jeugdzorgaanbieder. Middelen om vastgoed te realiseren kwamen van de rijksoverheid. Kosten voor exploitatie van vastgoed werden niet meegenomen bij investeringsbeslissingen.
Indien vastgoed werd verkocht, werd meegekeken of de beoogde transactie correct tot stand kwam en de opbrengst marktconform was.

Bekostiging van vastgoed na de transitie

In juni 2014 informeerde de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG) haar leden over de mogelijkheden voor het inkopen van jeugdhulp, die tot voor kort onder de AWBZ viel en hoe je specifiek kon omgaan met het vastgoed. Kern van deze informatie was dat het Ministerie van VWS een deel van deze kapitaallasten voor haar rekening zou nemen tot en met 2017. Dit zorgt ervoor dat de gemeente niet ineens geconfronteerd werden met deze hoge, en relatief vaste kostencomponent en ook dat de jeugdzorginstellingen enige zekerheid hadden. De VNG schrijft dat vanaf 2018 gemeenten en aanbieders integrale tarieven kunnen afspreken. Kunnen, niet moeten. Gemeenten zijn niet verplicht de vastgoedportefeuilles zoals deze nu zijn, duurzaam te blijven bekostigen. Dit kan betekenen dat gemeenten wel zorg willen afnemen van zorgaanbieders, maar niet al het  vastgoed willen subsidiëren. Duidelijk is nu al te zien dat gemeenten aansturen op vergaande ambulantisering en daar heeft een zorgaanbieder steeds minder vastgoed voor nodig. Het gevolg zou kunnen zijn dat zorgaanbieders het bestaande vastgoed niet meer met een gezond rendement kunnen exploiteren en hierdoor op termijn in financiële problemen raken.

woensdag 11 maart 2015

Huisvesting en vastgoed: twee kanten van dezelfde medaille

De begrippen huisvesting en vastgoed in de zorgsector

De begrippen ‘huisvesting’ en ‘vastgoed’ worden vaak in één adem genoemd. Zeker in een maatschappelijke sector als de gezondheidszorg, maar net zo goed in het onderwijs. Men zou kunnen gaan denken dat de begrippen onderling uitwisselbaar zijn. Maar huisvesting en vastgoed zijn niet elkaars synoniem, en dus is, zeker in de maatschappelijke sector, huisvestingsbeleid iets anders dan vastgoedbeleid. Binnen een zorgorganisatie levert dit misverstand spraakverwarring op tussen professionals uit het primaire proces en collega's of zelfs externen die bezig zijn met huisvesting en vastgoed. Da's onnodig. 

Huisvesting in de zorg

Het woordenboek geeft als betekenis voor huisvesting: het geven van onderdak, of dat onderdak.
In de zorgsector heeft het begrip huisvesting voor mij  een bredere connotatie, die te maken heeft met de activiteit die onder dat ‘onderdak’ plaatsvindt. Bij huisvesting draait het om de fysieke ruimte om in te verblijven. Als we spreken over kwaliteit van huisvesting in de zorg denken we aan comfort, maar ook aan functionaliteit. Kwaliteit van zorghuisvesting refereert aan eigenschappen van die huisvesting die het mogelijk maken om die zorg te verlenen waaraan behoefte is: een ruime kamer, het binnenklimaat is aangenaam, de ruimte is licht etc.

Vastgoed in de zorg

Het begrip vastgoed wordt in het dagelijks taalgebruik vaak gebruikt met connotaties zoals eigenaarschap, rendement en vermogen. Economische en juridische begrippen dus. Als er gesproken wordt over kwaliteit van vastgoed, gebeurt dat meestal met die economische en juridische blik: ‘goed’ vastgoed is vastgoed dat een mooi rendement oplevert, en dus een goede belegging is. Waarbij duidelijk mag zijn dat de hoogte van het rendement waar een vastgoedbelegger met zijn portefeuille naar streeft, afhankelijk is van de functie die het vastgoed heeft en de termijn waarin hij dat rendement wil halen. Bij een vastgoedportefeuille met kantoren en winkels, past een andere tijdshorizon en een ander rendement dan bij een portefeuille met woningen en zorggebouwen. Ik hecht eraan te zeggen dat beide genoemde vastgoedportefeuilles hun waarde hebben en even aantrekkelijk kunnen zijn: dat hangt af van de mindset, het perspectief, het doel van de belegger die naar een belegging zoekt.

Balans


De verzameling van gebouwen die zorgaanbieders gebruiken voor het verlenen van zorg worden binnen die zorgorganisatie soms bekijken vanuit het perspectief van huisvesting, soms soms vanuit het begrip vastgoed. Beide perspectieven zijn nodig en waardevol, vanuit beide perspectieven moet beleid worden gemaakt. Essentie daarbij is dat hierin beide perspectieven bij elkaar worden gebracht en in balans kunnen raken bij de uitvoering van het beleid. Als echter sprake is van onbalans, gaat het mis en kunnen de gevolgen groot zijn. Wordt teveel nadruk gelegd op het realiseren van goede huisvesting, dan raakt de kosteneffectiviteit uit het oog en wordt de portefeuille te duur. Ligt de focus op goed vastgoed, dan kan de functionaliteit van het vastgoed voor het primair proces uit het oog raken, waardoor de kwaliteit van zorg in het geding raakt.    

Bron: paper E. Bezemer, Executive MBA Nijenrode, Modele Markt, Recht en Ethiek

zaterdag 23 februari 2013

College Sanering en de toekomst

Wat moet dat heerlijk zijn: als columnist voor de Zorgvisie elk jaar hetzelfde onderwerp kunnen gebruiken en dan je eigen woorden aanhalen (het lijkt Jacques Brel wel) om je standpunt weer te geven.

Klaas Meersma, partner bij AKD advocaten&notarissen, schrijft al zeker drie jaar op rij over zijn weerzin tegen het College Sanering. In zijn meest recente tekst, van 27 juli 2012, schiet hij op het College aan de hand van het jaarverslag.
Nou heb ik in mijn werk ook niet alleen maar zegeningen ervaren van dit College. Maar om het nu zo belachelijk te maken zoals Meersma doet, dat gaat me te ver. Met name het op de man spelen, op de personen van de directie en de gemachtigden, daar houd ik niet van. Want de argumenten, daar gaat het om.

De stelling van Meersma is, dat het toezicht houden op het vervreemden van onroerend (zorg)vastgoed geen publieke taak is.
Helaas lees ik in zijn columns nergens een argument om deze stelling, die overigens heel interessant is, te ondersteunen. Wat is wel zie is dat hij de vorm, het College Sanering dus, waarin die toezichthoudende taak wordt uitgevoerd onderuithaalt.

De vorm

En hoewel dus de wijze waarop Meersma dat doet, niet de mijne is, kan ik me wel vinden in het ter discussie stellen van het in stand houden van een zelfstandig bestuursorgaan voor een taak die tot nu toe zeer beperkt is. Ook heb ik vraagtekens bij de vorm waarin het toezicht wordt gehouden: met een pool van onafhankelijke (maar wat is onafhankelijk?) zzp-ers. Het is een set van vaak gepensioneerde old boys (het zijn echt bijna alleen maar mannen) in het zorgvastgoed die de rol van gemachtigden invullen. In de praktijk gaat het, los van de kwestie of nu echt de juiste expertise aan tafel zit, wringen dat de gemachtigden alle tijd van de wereld hebben en vastgoedcasus zien als een hobby, waar de zorgorganisatie haast heeft en wil doorwerken. Elk uur dat de gemachtigde aan een casus besteed, mag hij declareren, dus gevoelsmatig lijkt er wel 'ns wat te worden gerekt.
Het tempo van het bureau in Utrecht is eveneens van ambtelijke kwaliteit en dat samen zorgt niet voor geringe frustratie bij zorgorganisaties. Transacties in het vastgoed zijn niet gebaat bij lange procedures, met aan het eind altijd nog een dichte mist of het College Sanering nu wel of niet goedkeuring gaat geven. Onzekerheid drukt de prijs, zullen we maar zeggen.

College Sanering en de extramuralisatie


Ik heb al eerder geschreven over de gevolgen van het scheiden van wonen en zorg (dat nu tegenwoordig zelfs helemaal vervangen is door het principe van extramuralisatie) in relatie tot het College Sanering. Reikhalzend heb ik uitgekeken naar de nieuwe beleidsregels hoe dit College om zou gaan met het vervreemden van al dat vastgoed. Het woord 'tsunami' is van toepassing op het aantal te verwachtten aanvragen. Gelukkig is per 14 februari 2013 duidelijk geworden dat je het wel moet melden als je aan kamerverhuur gaat doen en dat het College aan zal geven of goedkeuring is vereist. Duidelijk is dat zij ervan uitgaan dat dit meestal wel het geval zal zijn. Echter, het College geeft grootmoedig aan dat zij niet bij elke individuele kamer een besluit zal gaan nemen, maar meer op hoofdlijnen voor een complex. Dit lijkt in ieder geval de betrokkenheid van gemachtigden in deze processen te waarborgen.

Het rapport van Berenschot van januari 2013 met de voorspelling dat 800 verzorgingshuizen gesloten zullen gaan worden omdat het niet mogelijk zal blijken om huurprijzen te vragen die nodig zijn om de kosten te dekken, klinkt dramatisch. De sluiting van een verzorgingshuis hangt, vreemd genoeg, niet alleen af van financiële parameters. De behoefte aan deze voorzieningen is niet ineens weg in de komende twee of drie decennia. Ouderen zullen gaan ervaren dat alternatieven soms niet haalbaar blijken (bv. thuisblijven wonen in een woning met trap, met de kinderen aan de andere kant van het land). Mensen zullen moeten wennen aan het gegeven dat ze meer moeten betalen voor hun huis en hun zorg. Maar als de kwaliteit van de zorg en de huisvesting goed is en de druk maar hoog genoeg, dan wordt alles vloeibaar. Echter, voor mij blijft het een open vraag of zorginstellingen en corporaties elkaar in de nieuwe onderlinge afhankelijkheid kunnen vinden en niet te veel en te snel in de wielen worden gereden door procedures vanuit een instituut als het College Sanering.
 


Duurzaam inzetbaar?


Een introductiedag voor nieuwe medewerkers. Door de interne P&O-er wordt enthousiast verteld over de laatste trend in zijn vakgebied: het fenomeen duurzame inzetbaarheid. Zijn verhaal doet me denken aan een bekende uitspraak van John F. Kennedy. ”Ask not what your country can do for you - ask what you can do for your country.” Maar dan moet je in plaats van ‘country’ ‘organisatie’ lezen.

Duurzaam inzetbaar zijn betekent dat ja als medewerker gezond, productief en gemotiveerd bent, binnen en buiten de organisatie. Je kunt er dus van alles van maken, waardoor duurzame inzetbaarheid weer zo’n containerbegrip wordt, wat volgens mij maar weinig mensen enthousiast maakt.

Ik hoor en lees vanuit de vakbond en de werkgeversorganisaties vooral berichten dat duurzame inzetbaarheid sterk gekoppeld wordt aan de ‘oudere werknemer’. Je bent al een oudere werknemer als je de 45 bent gepasseerd, ja echt waar. Als je dus ouder bent, moet je er zelf voor zorgen aantrekkelijk te blijven voor een werkgever. Je moet je kennis op peil houden, door zelf initiatief te nemen voor opleidingen en trainingen. Je moet jezelf presenteren als interessante partij, omdat je behalve kennis en ervaring, zo prettig flexibel bent omdat je geen kinderen meer thuis hebt. Sterker nog, je hebt recht op opleiding, want doet de werkgever niets, dan faalt zijn HR beleid en kan hij je nooit verwijten dat je ‘te duur’ zou zijn. Zie de discussie bij Cap Gemini over de vrijwillig verplichte salarisdaling. Standpunt van de vakbond is daar: het is de schuld van Cap Gemini dat de werknemers daar zichzelf niet terug kunnen verdienen. Dan had het management maar tijdig moeten bijsturen en de medewerkers op cursus moeten sturen.

Is het dan automatisch zo dat jongere medewerkers altijd werken aan hun duurzame inzetbaarheid? En dat daar niet meer naar hoeft te worden gekeken om dat zo te houden? Jongeren zijn zich over het algemeen meer bewust van de onzekerheid van hun baan dan oudere medewerkers met vaste contracten. Ik denk dat dit wel eens vergeten wordt in de berichtgeving in de media over verschillen tussen de belangen van generaties, maar er is echt niemand van onder de 40 die zich volkomen veilig waant in z’n baan en denkt dat ontslag of faillissement hem of haar nooit zal overkomen. Daarvoor kent iedereen teveel mensen in de eigen omgeving die dat hebben meegemaakt.

Werkenden in de zorg bijvoorbeeld, worden met jaarcontracten binnen gehaald, na afloop van het contract aan de kant gezet, zodat ze maar bij de concurrent in de regio aankloppen, die hen ook weer een jaarcontract biedt. Zo bouw je niets op aan zelfbewustzijn, geschiedenis met de organisatie, of harde contractuele individuele rechten, maar voldoe je wel aan het duurzame inzetbaarheidsideaal. Het rondpompen van menselijk kapitaal dat ook nog bij lange na niet effectief wordt benut. Geen hypotheek te krijgen voor deze mensen, maar dat is hun probleem, niet van de organisatie. Wat dat voor effect heeft op de woningmarkt is duidelijk, maar we doen net alsof dat niets met elkaar te maken heeft.

Veel organisaties sluiten mensen met een jaarcontract sowieso uit van de mogelijkheid tot interne of externe opleiding. En krijgen hun HR beleid op dit punt bevestigd, doordat deze medewerkers in de flexibele schil redelijk snel weer aan de slag raken, in ieder geval tot een bepaalde leeftijd. Je hoeft niet te vragen, wat voor loon deze mensen moeten accepteren om überhaupt nog te kunnen werken, maar zij zien het overal om zich heen gebeuren en weten dat klagen geen zin heeft. Integendeel.

De campagne van het ministerie van SZW over duurzame inzetbaarheid van werknemers probeert de werkgevers te interesseren voor het onderwerp door te wijzen op het op deze manier kunnen verhogen van de productiviteit, vooral door het verlagen van het ziekteverzuim. Maar werkgevers wijzen op de eigen verantwoordelijkheid van de medewerkers, ook voor hun gezondheid, en lijken de daling van de inzetbaarheid van ouderen liever te accepteren dan te willen oppakken. Gemakszucht. Omdat het op dit moment in de huidige arbeidsmarkt minder ingewikkeld is om nieuwe goedkope jonge mensen te werven. Ook hierin zal de demografie uiteindelijk het laatste woord hebben.

 

 

maandag 6 augustus 2012

Zorg en afstand: waarom de Nederlander geen consument is

Zorg dichtbij, da's belangrijk. En dan moet het wel excellente zorg zijn. Hoe is het zo gekomen dat we in Nederland denken dat het kan: top-zorg om de hoek?
Even extreem: In de derde wereld weet iedereen (en wij weten het vandaar ook) dat je voor gezondheidszorg een eind moet reizen en dat je het alleen overleeft als je familie voor je zorgt tijdens je opname. Maar dat is hier in Nederland een heel ander geval: wij hebben geld en wij zijn solidair. Dit levert een fijnmazig netwerk van hoogwaardige zorg op. Overal in dit netwerk is de kwaliteit van de zorg hetzelfde en de beste van de wereld. Daar hebben we recht op, want daar betalen we voor via premies en volksverzekering.  Het zit er zo diep in, dat de introductie van marktwerking er veel last van had en heeft. Natuurlijk zal de klant voor z'n gezondheid niet marchanderen met de prijs. Wat maakt het uit wat iets kost, als het maar helpt. Maar de klant kan wel kiezen op kwaliteit (alleen het beste is goed genoeg) maar doet dat niet. Allereerst ontbreken alle mogelijke gegevens om te kunnen vergelijken op kwaliteit. De gegevens die nu op internet te vinden zijn, zijn te abstract en zijn voor de leek zonder toelichting niet te duiden. Van die leuke afkortingen waar de zorg zo goed in is. Maar volgens mij is het nog belangrijker dat een klant zich nu niet kan voorstellen, dat er verschil in kwaliteit kan zijn.

Een casus. Een fitte vutter heeft last van staar. Hij moet hieraan worden geholpen. Zijn hele werkzame leven reed hij dagelijks op en neer naar Rotterdam. Daarnaast reed hij door het hele land voor dienstreizen. Afstanden bestaan niet, mobiliteit een eerste levensbehoefte. Voor een mooie tentoonstelling is geen brug te ver. Maar voor de oogoperatie kiest hij voor het ziekenhuis om de hoek en niet voor het alternatief bij het gespecialiseerde oogziekenhuis in Rotterdam. Argument: ik kan er op de fiets naartoe en dan fiets ik op m'n gemak met een oog dichtgeplakt weer naar huis. Kende hij het alternatief niet? Jawel. Maar hij kon zich niet voorstellen dat er kwalitatief verschil zou kunnen zijn. Helaas was dat verschil er wel. Het resultaat viel erg tegen, zicht verslechterde. Nazorg was beroerd (stil maar, wacht maar) en nu mag er niemand meer aankomen want het vertrouwen is weg. Want nog steeds kan hij zich niet voorstellen dat de ene dokter iets kan wat een ander niet kan.

Hoe kan het dat we zo denken? Dat is sinds de wederopbouw gepropageerd door de overheid. En dan bedoel ik 'propageren' te laten klinken als propaganda. Wij in Nederland zouden herrijzen. Woonruimte, werk en gezondheidszorg voor iedereen, iedereen gelijke kansen. De dogma's van de verzorgingsstaat. Nu de verzorgingsstaat is begraven en de marktwerking als nieuw evangelie wordt gepredikt, hoort daar een mentaliteitsverandering bij de burger bij. Die kan deze omslag alleen maken als hij informatie heeft over de kwaliteit van de zorg. En dan moet de overheid niet alleen de discussie in de zorg willen voeren over de kosten. Want dat boeit de burger niets, hij heeft rechten. Pas als we de discussie voeren over wat de kwaliteit is die je krijgt voor je geld, zal hij wakker worden en zich als consument gaan gedragen. En dat laatste is nodig. Anders blijven we ons geld uitgeven aan zorg die eigenlijk onder de maat is. Dus weg met alle krampen bij brancheorganisaties en verzekeraars, bestuurders en politici en specialisten en geef informatie over ingrepen, maak het vergelijkbaar en begrijpelijk.
Om de casus door te trekken: zou de fitte vutter (en al zijn lotgenoten) zich wel als consument gaan gedragen, betekent dit de sluiting van de functie in het regionale ziekenhuis  (op zich al kostembesparend) en een verhoging van de productie in het gespecialiseerde ziekenhuis, zodat de kostprijs per ingreep daar lager zou kunnen worden. De oogartsen daar raken nog meer bedreven in de ingreep, wat weer ten goede komt aan de kwaliteit.